Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.2.1.4
3.2.1.4 Wet voor het Lager Schoolwezen en Onderwijs 1801, 1803 en 1806
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977233:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
I. van Hoorn, De Nederlandsche schoolwetgeving voor het Lager Onderwijs, 1796-1907, Groningen: Noordhoff 1907, p. 217-225; R.W. Feikema 1929, p. 5, A. Strang, Eene historische verhandeling over de liberale politiek en het lager onderwijs van 1848 tot 1920, (diss. RUL), Utrecht: Kemink 1930, K.E. van der Mandele, Het liberalisme in Nederland, (diss. NEH-Rdam), Arnhem: VLS 1933, N. Bakker e.a. (red.), Tot burgerschap en deugd. Volksopvoeding in de negentiende eeuw, Hilversum: Verloren 2006, D. van Gijlswijk, De overheid en het voortgezet onderwijs 1800-1920, (diss. UvA) Amsterdam: Kohnstamm Instituut 2004 en H. Knippenberg & B. de Pater, De eenwording van Nederland. Schaalvergroting en integratie sinds 1800, Nijmegen: SUN 1988.
H. Knippenberg, Deelname aan het lager onderwijs in Nederland gedurende de 19e eeuw. Een analyse van de landelijke ontwikkeling en van de regionale verschillen, (diss. UvA), Amsterdam 1986, p. 231 e.v. alsmede Knippenberg & De Pater 1988 en M. Everard & M. Aerts, ´De burgeres’, in: Kloek & Tilmans (eds.) 2002, p. 173 e.v.
Publicatie van het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek, houdende verordeningen omtrent het onderwys in de lagere scholen, Gearresteerd den 15 Juny 1801, In den Haag, ter 's Lands Drukkerye, 1801; H. Hemkes, Handboek voor Schoolopzieners, Groningen: Oomkens 1844, I, p. 21 e.v., A. Holtkamp F.I.C., Van Begijnen en schoolmeesters tot leraren basisonderwijs, Nijmegen: KDC 1988, p. 10 e.v en Th.A.L.M. Storimans, 'Het karakter van 200 jaar regelgeving inzake inrichting van het l.o. in Nederland, in: Boekholt e.a. 2002, p. 87-101.
Publicatie van het Uitvoerend Bewind van 29 juli 1803 (UB 1803).
Wet voor het lager Schoolwezen en Onderwijs in de Bataafsche Republiek van 3 april 1806 (Schoolwet 1806, UB 1806); vgl. Siegfried Stokman O.F.M., De religieuzen en de onderwijspolitiek der regeering in het Vereenigd Koninkrijk der Nederlanden, s-Gravenhage: RK CBKO 1935, p. 29 en P.Th.F.M. Boekholt, ‘De onderwijs wet van 1801 en het begin van de Staatszorg voor het onderwijs in Nederland´, in: Boekholt e.a. (red.) 2002, p. 3-10.
Vgl. A. van den Ende, Geschiedkundige Schets van Neêrlands Schoolwetgeving. Voor eigene rekening, 1846, met nauwkeurige uiteenzetting van de genese en inhoud van de Lager Onderwijswetten, Deventer: Rooyaards 1846, J.H. Meisen, Lager onderwijs in de spiegel der geschiedenis (1801-1976), ’s-Gravenhage: Su 1976 en J. ter Gouw, Beknopt historisch overzigt van onze nationale schoolwetgeving, Amsterdam: Brinkman 1862.
Zie: Cassianus P.J.W.J. Hentzen, Politieke Geschiedenis van het Lager Onderwijs in Nederland, 1: De vestiging van het Staatsmonopolie 1795-1813, Nijmegen: Malmberg 1920, D. Langedijk, De schoolstrijd, s-Gravenhage: Van Haeringen 1935, p. 11-12, Van Hoorn 1907, p. 87-96, L.W.G. Scholten, Thorbecke en de vrijheid van onderwijs tot 1848, Utrecht: Schotanus 1928, p. 22, A.M. van der Giezen 1937, P. Boekholt 2002, p. 3-11 en www.onderwijserfgoed.nl.
S. Schama, ’Schools and politics in the Netherlands, 1796-1814’, The historical Journal 1970, 13, 4, p. 607.
Curs.W; Regl. conform art. 21 LO-wet 1806. Art. 1 bevat verplichte vakken; Wet voor het lager Schoolwezen en Onderwijs in de Bataafsche Republiek en het Reglement van 3 april 1806; vgl. Janssen & Visser 1970, p. 215-216, 220 en N.F. Noordam, ’De christelijke en maatschappelijke deugden van onze eerste schoolwetten’, PS 1966, p. 289 e.v.
H. Knippenberg, Deelname aan het lager onderwijs in Nederland gedurende de 19e eeuw, Amsterdam: K.N.A.G. 1986, p. 231 e.v.; vgl. I. de Haan, ’Een gevelde Goliath? Liberale 1848-1920’, in: T.J. van der Ploeg et al. (red.) 2000, p. 37, zie voor de Pietas erga patriam: W.J.A.J. Duynstee C.ss.R 1956, p. 81-83 (‘Naast de verplichtingen uit bloedverwantschap worden door St. Thomas, in navolging van Cicero, de verplichtingen die men als burger tegenover het vaderland heeft, tot deugd van pietas gebracht’).
A.M. van der Giezen, De eerste fase van de schoolstrijd in Nederland, 1795-1806, Assen: Van Gorcum 1937, p. 200 e.v.; vgl. Van den Ende spreekt over ‘christelijke en burgerlijke deugden’, in: A.A.J. Meylink, Officiële geschiedenis der wet van 1806 voor het Lager schoolwezen en onderwijs, 's-Gravenhage: Van Langenhuysen 1857, p. 745.
Art. 2 Regl. voor het Lager Schoolwezen en Onderwijs in de Bataafsche Republiek, behoren de bij de Wet van 23 juli 1806, AB 1806; N.F. Noordam, ’De ’christelijke en maatschappedeugden’ van onze eerste schoolwetten’, PS 1966, 6 en Ph.A. Kohnstamm, Schepper en schepping. Schets eener christelijke opvoedkunde, Haarlem: TjeenkW 1929, p. 387.
A. van den Ende, Geschiedkundige schets van Neêrlands schoolwetgeving, met aantekeningen en bijlagen, et cetera, Deventer: Rooyaards 1846, p. 89; J. Groen, ’Scharnierpunt van het onderwijsbestel’, in: Van den Bosch 2014, p. 46.
Lenders 1988, p. 44.
Artikel 1, tweede alinea onder g LO; vgl. Meylink 1857, p. 746.
Bevordering van staats- en natievorming
Begin 1800 is het onderwijs gericht op algemene vorming en bevordering van de staats- en natievorming.1 Het doel vormt de socialisatie en kwalificatie van burgers tot vaderlandslievende, gedisciplineerde staatsburgers.2 Dit komt tot uitdrukking in de bepalingen van de LO-Wet van 1801 (gezien de Staatsregeling van 1798)3, de LO-Wet van 1803 (gezien de Staatsregeling des Bataafschen Volks 1803)4, en de LO-Wet 18065 (gezien de Staatsregeling voor de Bataafsche Republiek 1805).6 De Schoolwet van 1801 heeft tot doel:
‘het kweken van brave en nuttige burgers en de vorming tot redelijke wezens: De jonge burgers en burgeressen aan wier verlichting en deugd het Bataafsche volk het heilig pand zijner grondstellingen van het Maatschappelijk Verdrag ter bewaring heeft aanbevolen, worden onderwezen in de beginselen, dat de eerbiedige erkentenis van een alles besturend Opperwezen de banden versterkt en we anderen niet moeten doen, wat we niet wenschen dat ons geschiedt’.7
De LO-wet van 1803 verplicht de Bataafse Republiek nationaal volksonderwijs te realiseren.8
Algemene vorming/leerstellig onderwijs verboden
In de LO-wet van 1806 wordt met vernieuwd pedagogisch élan het Reglement voor het Lager Schoolwezen en Onderwijs binnen de Bataafsche Republiek vastgelegd. Hierin is het klassikale curriculum vastgelegd, ook van middelbaar onderwijs als de Franse scholen, bestaande uit de eerste beginselen van kennis en beschaving als lezen, schrijven, rekenen, Nederduitsche taal, Fransche taal, aardrijkskunde, geschiedkunde en tekenen.9 De noodzaak tot natievorming leidt tot de vorming van leerlingen tot vaderlandslievende staatsburgers in.10 Door het onderwijzen van ‘alle Maatschappelijke (of staatsburgerlijke)11 en Christelijke deugden’12 kunnen zij ware christenen worden, wat de beste burgers zijn (burgerlijk christendom).13 Het onderwijs moet algemeen - niet leerstellig - christelijk zijn.14 De beginselen der geschiedenis waren tot 1857 opgenomen in de LO-Wet van 1806.15 De wetgever wilde door het opwekken van vaderlandsliefde bij leerlingen een nationale opvoeding realiseren.