Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.2.3
4.2.3 Het Vliegtuigvleugel-arrest
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS371084:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 januari 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AB6963, NJ 1968, 102, m.nt. G.J. Scholten.
Gerechtshof Amsterdam 26 mei 1966.
Conclusie Van Oosten bij HR 5 januari 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AB6963, NJ 1968, 102.
HR 21 maart 1947, NJ 1947, 383, m.nt. E.M. Meijers.
HR 5 januari 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AB6963, NJ 1968, 102, m.nt. G.J. Scholten, overweging aangaande de grieven onder 2a en 2b.
HR 5 januari 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AB6963, NJ 1968, 102, m.nt. G.J. Scholten, overweging aangaande de grieven onder 2a en 2b.
Idem.
Idem.
Idem.
Conclusie Van Oosten bij HR 5 januari 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AB6963, NJ 1968, 102.
Het Vliegtuigvleugel-arrest ging over een geschil tussen Generali, verzekeraar van vliegtuigbouwbedrijf Fokker (opdrachtgever), en opdrachtnemer Zentveld.1 Fokker had Zentveld de opdracht gegeven om voor fl. 17,50 per uur met zijn kraanwagen met uitschuifbare hijskraanbalk een vliegtuigvleugel van een trekschuit af te laden. Bij de uitvoering van deze opdracht (overeenkomstig aanwijzingen van (personeel van) Fokker) brak een bout van de kraan af ten gevolge waarvan de vliegtuigvleugel op de grond viel. De schade die hierdoor is ontstaan aan de vleugel bedroeg fl. 199.856,-. Uit onderzoek bleek dat de bout gebrekkig was, maar dat dit niet uitwendig constateerbaar was. Daarnaast bleek dat de gebrekkigheid niet het gevolg was van achterstallig onderhoud door Zentveld, maar van een constructiefout in het materiaal van de bout. Fokker heeft de geleden schade op haar verzekeraar verhaald, die vervolgens Zentveld heeft aangesproken voor de schade uit hoofde van wanprestatie. De verzekeraar van Fokker, Generali, baseerde haar vordering op de stelling dat Zentveld heeft in te staan voor het door hem gebruikte materiaal, dan wel dat hij nalatig is geweest bij de uitvoering van zijn opdracht.
Het Gerechtshof Amsterdam was meegegaan in de stelling van de verzekeraar en had geoordeeld dat Zentveld was tekortgeschoten in de nakoming en op grond van artikel 1280 OBW de daardoor ontstane schade diende te vergoeden, tenzij het niet-nakomen voortkwam uit een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend.2 Het afbreken van de bout was volgens het hof niet te beschouwen als een vreemde oorzaak die niet aan hem kan worden toegerekend, ook niet als Zentveld al het mogelijke had verricht om de breuk te voorkomen en de oorzaak daarvan niet te voorzien was. Dit aangezien hij ‘naar een algemeen beginsel van Nederlands verbintenissenrecht (..) in dit geval heeft in te staan voor de deugdelijkheid van de door hemzelf bestuurde kraan, waarvan hij zich ter uitvoering van de overeenkomst wenste te bedienen’.
Volgens de conclusie van A-G Van Oosten heeft het hof hier miskend dat verbintenissen niet kunnen ontstaan uit regels van ongeschreven recht, laat staan uit algemene beginselen van Nederlands verbintenissenrecht.3 Bovendien zou het instaan voor de deugdelijkheid van zaken die de schuldenaar bij de uitvoering van de verbintenis gebruikt volgens Van Oosten geen algemeen beginsel van het Nederlandse verbintenissenrecht zijn. Een dergelijk beginsel zou niet afgeleid kunnen worden uit het hiervoor besproken arrest van de Hoge Raad uit 1947.4 Een dergelijke regel zou slechts gelden voor ‘overeenkomsten tot vervoer van goederen, waarop art. 468 (oud) betrekking had en tot soortgelijke overeenkomsten waaruit verbintenissen om iets te doen voortvloeien’. Van Oosten betwijfelde of de overeenkomst tussen Fokker en Zentveld, ‘waaruit een verbintenis is ontstaan om overeenkomstig de aanwijzingen van de wederpartij datgene te doen waartoe de verbintenis strekte, naar haar aard is te beschouwen als een overeenkomst, waarvan sprake was in art. 468, 1e lid, of als een soortgelijke overeenkomst om iets te doen’. Van Oosten wees erop dat het instaan voor de deugdelijkheid van zaken ook in de Toelichting op het Ontwerp BW als algemene regel onhoudbaar werd geacht.
De Hoge Raad oordeelde in overeenstemming met de conclusie van Van Oosten dat het Nederlandse verbintenissenrecht niet een algemene regel bevat inhoudende dat de schuldenaar heeft in te staan voor de deugdelijkheid van de zaken waarvan hij zich voor de uitvoering van zijn verbintenis bedient.5 De omstandigheid dat de wet deze regel voor bepaalde overeenkomsten bevat, leidde er volgens de Hoge Raad niet toe dat een algemeen beginsel van die strekking gerechtvaardigd is.6 Volgens de Hoge Raad moest de aansprakelijkheid voor hulpzaken beoordeeld worden aan de hand van de ‘aard der overeenkomst, de verkeersopvattingen en de redelijkheid’.7 Deze beoordelingscriteria kunnen meebrengen dat de schuldenaar die gebruik heeft gemaakt van een ongeschikte hulpzaak niet aansprakelijk is indien hij aantoont dat het falen van de zaak ‘door hem niet kon worden voorzien, niet het gevolg was van een gebrek aan zorg bij de aanschaffing, het onderhoud en de controle aan het werktuig besteed en ook overigens niet aan zijn schuld te wijten was’.8 De Hoge Raad benadrukte dat hierbij de (on)redelijkheid van de verhouding tussen de hoogte van de mogelijke schade door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak en de hoogte van de door de schuldenaar ontvangen tegenprestatie van bijzonder belang is. Ook achtte de Hoge Raad de vraag van belang of de schuldeiser voor een dergelijke schade een verzekering heeft afgesloten, aangezien hierin een aanwijzing kan worden gevonden dat het risico naar verkeersopvattingen voor zijn rekening komt.9 De Hoge Raad kwam aldus tot vernietiging van het arrest van het hof en verwees de zaak terug.
De verweren van Zentveld, dat het risico voor rekening van Fokker diende te komen aangezien het personeel van Fokker aan hem zou hebben opgedragen zijn kraan op een manier te bedienen die hij zelf niet wenste en de expeditiechef van Fokker aan hem zou hebben medegedeeld dat Fokker alle risico’s verbonden aan de werkzaamheden zou dragen, behoefden volgens de Hoge Raad derhalve geen bespreking. A-G van Oosten had ten aanzien van deze verweren opgemerkt dat zij, indien juist bevonden, tot toerekening van het risico aan Fokker hadden moeten leiden.10