Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.10.a
3.10.a Toegang tot beroep: algemeen
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609517:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Behoudens de weinig inzichtelijke CRM 23 maart 2011, nr. 1620/2007 (J.O./Frankrijk) over notificatie van een verstekvonnis ten behoeve van de beroepstermijn; Uit EHRM 27 april 2000 (ontv.), nr. 33050/96 (Haser/Zwitserland) komt voorts naar voren dat het vereisen van verzet tegen een verstekuitspraak voordat cassatie kan worden ingesteld een legitieme beperking van de toegang tot cassatie inhoudt.
Vgl. de redenering van het Straatsburgse Hof over access to court in eerste aanleg in EHRM 21 februari 1975, nr. 4451/70 (Golder/Verenigd Koninkrijk).
Paragraaf 4.3.
Zie onder meer CRM 1 november 1991, nr. 230/1987 (Henry/Jamaica); CRM 1 november 2004, nr. 903/1999 (Van der Hulst/Nederland); Joseph & Castan 2013, p. 512, spreken van “fair opportunity to pursue […] further appeals”; in CRM 27 maart 1997, nr. 579/1994 (Werenbeck/Oostenrijk) overweegt het Comité zelfs “once a further appeal has been provided by law, the guarantees of article 14 apply and the convicted person thus has a right to make use of his appeal”.
EHRM 13 februari 2001, nr. 29731/96 (Krombach/Frankrijk).
Buiten de oordelen over het toepassingsbereik van het recht op beroep, bestaat er nauwelijks jurisprudentie waarin ontvankelijkheid van een rechtsmiddel wordt beoordeeld via de band van de artikelen 14 lid 5 IVBPR of 2 P7 EVRM. Rechtspraak op basis van deze bepalingen over bijvoorbeeld de beroepstermijn of een schriftuurverplichting ontbreekt nagenoeg.1
Op het eerste gezicht is het evenwel ondenkbaar dat de artikelen 14 lid 5 IVBPR en 2 P7 EVRM uitsluitend zouden bepalen in welke gevallen het recht op beroep beschikbaar moet zijn (paragraaf 4-5) en wat de beoordeling in beroep materieel en procedureel moet inhouden (paragraaf 6-9). Als namelijk de toegang tot beroep weliswaar niet geheel wordt uitgesloten maar toch onredelijk complex zou worden gemaakt, wordt het mensenrecht op beroep illusoir,2 bijvoorbeeld indien onredelijk hoge eisen aan de vorm en inhoud van de beroepsschriftuur of de beroepstermijn worden gesteld. Betoogd kan dus worden dat de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep wel door beide verdragsartikelen moet worden genormeerd, ook al bestaat daarover nauwelijks rechtspraak.
Over deze redenering valt evenwel meer te zeggen, want normering van de toegang tot beroep hoeft niet noodzakelijk op de artikelen 14 lid 5 IVBPR en 2 P7 EVRM te zijn gebaseerd. Het recht op access to court uit artikel 6 EVRM beheerst immers reeds de toegang tot beroep, zoals blijkt uit zaken over onder meer de beroepstermijn en griffierechten – in hoofdstuk 4 wordt dit verder behandeld.3 Uit het standpunt dat het ondenkbaar is dat de toegang tot beroep niet door verdragsrecht wordt bestreken, vloeit dus niet noodzakelijk voort dat die normering een basis moet hebben in het mensenrecht op beroep.
Toch bestaan er concrete aanwijzingen dat de artikelen 14 lid 5 IVBPR en 2 P7 EVRM wel degelijk eisen stellen aan de toegang tot beroep. Het Comité bepaalde in verscheidene oordelen dat als een staat méér rechtsmiddelen openstelt dan het verdragsrecht voorschrijft, de woorden according to law uit artikel 14 lid 5 IVBPR impliceren dat de veroordeelde ook effectieve toegang moet hebben tot die onverplicht opengestelde rechtsmiddelen: “if domestic law provides for further instances of appeal, the convicted person must have effective access to each of them”.4 Onduidelijk is wanneer de bedoelde toegang nog effectief is en wanneer niet, maar als de toegang tot further instances of appeal effectief moet zijn, dan moet zeker ook de toegang tot het eerste rechtsmiddel effectief zijn. Een ander aanknopingspunt betreft het EVRM. In de hiervoor uitgebreider geciteerde Krombach-uitspraak overweegt het Hof dat dat beroep enkel mag bestaan uit toetsing aan het recht. “Furthermore, in certain countries, a defendant wishing to appeal may sometimes be required to seek permission to do so. However, any restrictions contained in domestic legislation on the right to a review mentioned in that provision must, by analogy with the right of access to a court embodied in Article 6 § 1 of the Convention, pursue a legitimate aim and not infringe the very essence of that right.”5 Een verlofstelsel lijkt in deze overwegingen te worden beschouwd als een beperking op het recht op beroep. Analoog daaraan kunnen ook andere regels omtrent de toegang tot beroep als zo’n beperking worden beschouwd.
In deze benadering is het stellen van eisen aan de ontvankelijkheid van het beroep alleen geoorloofd onder het recht op beroep indien deze toegangsbeperkingen ten minste legaal, legitiem en proportioneel zijn. Dat het EHRM klachten over de toegang tot beroep gewoonlijk via de band van artikel 6 EVRM behandelt, doet hieraan niet af. Hierbij sluit aan dat zowel het EHRM als het CRM over de aanvaardbaarheid van leave to appeal onder het recht op beroep veel uitspraken hebben gedaan. Deze uitspraken komen hieronder aan bod, aangevuld met conclusies op grond van de paragrafen 2 tot en met 9. Achtereenvolgens staat inhoudelijke, vrije en afgescheiden toegangsbeoordeling centraal. Eerst komt aan bod wat de internationale toezichthoudende organen met de woorden leave to appeal bedoelen.