Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.3.4.3
4.3.3.4.3 Factor 2: Het door het EVRM beschermde belang is gevestigd in strijd met nationaal recht
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS449955:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 3 juli 2012, Martínez Martínez en Pino Manzano/Spanje, r.o. 47-51 (zaaknr. 61654/08). Overigens lees ik deze zaak aldus dat het EHRM een inhoudelijke proportionaliteitsbeoordeling heeft verricht. Het arrest biedt echter ook enige ruimte om het aldus te lezen dat het EHRM aan een proportionaliteitsbeoordeling niet is toegekomen en heeft geoordeeld dat geen sprake was van een aantasting van de door art. 8 EVRM beschermde belangen omdat het ‘minimum level of severity’ niet bereikt was.
Zie EHRM 30 november 2004, Öneryildiz/Turkije, r.o. 103-106, 110 en 136 (zaaknr. 48939/99).
Zie bijvoorbeeld: EHRM 18 januari 2001, Chapman/VK, r.o. 102, 107 en 115 (zaaknr. 27238/95) (handhavend optreden tegen de illegale bewoning van eigen grond) (art. 8 EVRM); EHRM 8 november 2005, Saliba/Malta, r.o. 46-47 (zaaknr. 4251/02) (handhavend optreden tegen een zonder vergunning gebouwd gebouw) (art. 1 EP); EHRM 27 november 2007, Hamer/België, r.o. 84-85 en 87 (zaaknr. 21861/03) (handhavend optreden tegen een zonder vergunning gebouwde vakantiewoning) (art. 1 EP).
Een tweede factor waaraan belang toekomt bij het beantwoorden van de vraag of de overheid een of meer (bepaalde) concrete handeling(en) moet verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting is de omstandigheid of de burger wiens door artikel 8evrm beschermde belang aangetast wordt dit belang in strijd met het nationale recht op een bepaalde plek heeft gevestigd.
Dit blijkt uit de zaak-Martínez Martínez en Pino Manzano. In deze zaak stond de woning van de klagers (waarvan zij een deel als textielatelier gebruikten) op ongeveer 200 meter afstand van een steengroeve. Het ehrm overwoog dat de klagers hun woning hadden gevestigd in een gebouw op een perceel dat bestemd was voor industriële activiteiten en dat bewoning daar naar nationaal recht niet toegestaan was. Doordat de klagers hun woning hadden gevestigd op een perceel dat niet voor bewoning bestemd was, hadden zij zichzelf volgens het ehrm in een onrechtmatige situatie geplaatst en moesten zij daarvan zelf de gevolgen dragen. Daarbij tekende het nog aan dat in 1994 de vergunningaanvragen voor de door de klagers gewenste verbouwing waren geweigerd en dat zij desondanks in strijd met de regelgeving de verbouwing hadden uitgevoerd. Volgens het ehrm konden de klagers niet klagen over overlast van een steengroeve die zelf rechtmatig gevestigd was op een terrein dat bestemd was voor industriële activiteiten, aangezien industriegebieden niet dezelfde bescherming genoten als woongebieden.1
Hetzelfde mag mijns inziens aangenomen worden voor de positieve verplichtingen onder artikel 1ep. Indien een burger in strijd met nationaal recht op een bepaalde plek een door artikel 1 ep beschermd belang vestigt, zal de overheid niet snel verplicht zijn een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van zijn door artikel 1 ep beschermde belang. Mij is hierover evenwel geen rechtspraak van het ehrm bekend.
Desalniettemin kan niet geheel uitgesloten worden dat de overheid, ondanks een naar nationaal recht onrechtmatige vestiging van een door artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermd belang, soms toch een positieve verplichting heeft om een of meer (bepaalde) concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van dat belang. In dit verband kan bij wijze van analogie gewezen worden op het arrest-Öneryildiz/Turkije, dat betrekking heeft op de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen. Daar nam het ehrm onder artikel 2evrm en artikel 1 ep een schending van die positieve verplichting aan, hoewel Öneryildiz en zijn familie in strijd met het nationale recht naast de later ontplofte vuilnisbelt waren gaan wonen en aldus onrechtmatig daar hun belangen hadden gevestigd.2
Rechtspraak over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van levensbedreigende ziekte of verwonding in omgevingsgerelateerde situaties is mij, zoals in paragraaf 4.3.2.2 gezegd, niet bekend. Dergelijke concrete handelingen bestaan, zoals in die paragraaf opgemerkt, uit het verlenen van noodhulp. Het lijkt mij echter niet goed verdedigbaar om noodhulp te weigeren, omdat degene die levensbedreigend ziek of gewond is geraakt zich in strijd met nationaal recht in een situatie heeft begeven waarin hij die ziekte of verwonding heeft opgelopen. De omstandigheid dat degene die levensbedreigend ziek of gewond is geraakt zich in strijd met nationaal recht in die situatie heeft begeven lijkt mij daarom niet relevant voor de positieve verplichtingen onder artikel 2evrm.
Tot slot wijs ik er voor de volledigheid op dat de omstandigheid dat een door artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermd belang in strijd met het nationale recht op een bepaalde plek is gevestigd niet alleen van belang is bij de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen. Uit de rechtspraak blijkt dat die omstandigheid ook relevant is bij de negatieve verplichtingen van de overheid.3