De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.1:7.1 Inleiding
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284523:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Boonekamp 2018, aant. 4.4.1.2 en bijv. HR 24 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4766, NJ 1984/415, m.nt. W.C.L. van den Grinten (Bardoel/Swinkels), HR 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0802, NJ 1994/91, m.nt. E.A.A. Luijten (Dicky Trading) en HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213, NJ 2006/606, m.nt. J.M.B. Vranken (Baby Kelly).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
393. In hoofdstuk 5 is duidelijk geworden waaruit het onrechtmatige gedrag bij het nemen van ongeldige besluiten bestaat. Het aangezochte overheidslichaam moet op een aanvraag om een begunstigend besluit bij besluit in primo conform het recht beslissen op basis van de gegeven omstandigheden ten tijde van het nemen daarvan en de informatie waarover het bestuursorgaan op dat moment beschikt of op grond van zijn algemene informatie-inwinningsplicht van art. 3:2 Awb behoort te beschikken. Bij voor de geadresseerde bezwarende besluiten, aanwijzingsbesluiten en bij besluiten met schadelijke gevolgen voor derden bestaat de onrechtmatigheid doorgaans uit de schending van de publiekrechtelijke norm die ook tot de ongeldigheid van het besluit leidt. Zijn zulke besluiten onbevoegd of zonder wettelijke grondslag genomen, dan strijden zij met het legaliteitsbeginsel. In een beperkt aantal gevallen vormt een bezwarend besluit een rechtsinbreuk.
394. Met de verkregen duidelijkheid over de geschonden norm is een belangrijke basis gelegd voor het nadere onderzoek naar de toepassing van de relativiteitsleer en de redelijke toerekening van art. 6:98 BW binnen het besluitenaansprakelijkheidsrecht. Zonder duidelijkheid over de geschonden norm was dat niet goed mogelijk. In de leer van de redelijke toerekening vormt de aard van de geschonden norm immers een relevante omstandigheid. Onder de aard van de geschonden norm is mede te begrijpen het doel en de strekking daarvan.1 In de relativiteitsleer staat de geschonden norm zelfs centraal.
395. Voordat onderzocht kan worden hoe de relativiteitsleer en de redelijke toerekeningsleer werken in het besluitenaansprakelijkheidsrecht zijn nog twee belangrijke vooronderzoeken noodzakelijk. Dit hoofdstuk is aan die vooronderzoeken gewijd. Ten eerste is nog vereist te onderzoeken hoe de leerstukken van relativiteit en redelijke toerekening in het algemene civiele recht luiden. Daarop gaan §7.2 en §7.3 in. In §7.2.5 komt voorts kort de bestuursrechtelijke relativiteit aan de orde. We zullen vervolgens in §7.4 zien dat de civiele relativiteit en redelijke toerekening in belangrijke mate overlappen. Die overlap heeft op een aantal punten geleid tot een inconsistente, en daarmee onduidelijke, systematiek – ook in het algemene civiele recht. In het licht van mijn onderzoeksvraag – de zoektocht naar een consistent systeem – is daarom noodzakelijk na te gaan hoe deze leerstukken zich binnen het systeem van de wet wel op een inzichtelijke en consistente manier tot elkaar kunnen verhouden. De slotparagraaf §7.5 doet daartoe een voorstel. Vervolgens komt in §7.6 aan de orde in hoeverre dat systeem tegemoet komt aan de kritiek dat rechters soms rechtspolitieke beslissingen nemen onder het mom van de relativiteit. Ten slotte ga ik in §7.7 na hoe mijn systeem processueel moet worden ingepast in het systeem van de stelplicht en bewijslast (art. 150 Rv) en de verplichting van de rechter binnen de grenzen van de rechtsstrijd het recht aan te vullen (art. 24 en 25 Rv).