De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.8:7.8 Conclusie
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.8
7.8 Conclusie
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284596:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
560. Dit hoofdstuk onderzocht de reikwijdte en onderlinge verhouding van de relativiteitsleer en de redelijke toerekeningsleer. Dat onderzoek heeft inzicht gegeven in het toepassingsgebied van beide leerstukken en vormt zo de basis voor de toepassing daarvan binnen het besluitenaansprakelijkheidsrecht. Daarop zal hoofdstuk 8 ingaan.
561. De in art. 6:163 BW neergelegde relativiteitseis is door de wetgever als negatief vereiste geformuleerd en bedoeld: er bestaat geen aansprakelijkheid als duidelijk blijkt dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming (a) van de gelaedeerde, (b) tegen diens schade (c) op de wijze waarop die schade is ingetreden (de persoonlijke, zakelijke en intredingsrelativiteit). De Hoge Raad heeft het relativiteitsvereiste sinds het Duwbak Linda-arrest als positief aansprakelijkheidsvereiste vormgegeven: er bestaat eerst aansprakelijkheid als positief blijkt dat de geschonden norm gezien haar doel en strekking in voornoemde drie opzichten bescherming wil bieden. In de literatuur wordt in de regel aangenomen dat de vaststelling van de relativiteit van wettelijke normen een uitlegkwestie is. De Hoge Raad hanteert daarbij echter ook andersoortige argumenten. De relativiteit van ongeschreven normen, waarbij uitleg aan de hand van klassieke uitleginstrumenten bij gebrek aan tekst en wetsgeschiedenis naar de aard der zaken niet mogelijk is, wordt bepaald door het gevaar waartegen de norm in abstracto wil beschermen en de algemene noties en beginselen die achter de norm schuilgaan. Bij rechtsinbreuk geven met name de aard, inhoud en strekking van het geschonden recht vorm aan de relativiteit. Daar bieden uitleginstrumenten wel uitkomst als het recht een wettelijke basis of uitwerking heeft.
562. De redelijke toerekeningsleer van art. 6:98 BW vereist dat de door de gelaedeerde geleden schade kan worden toegerekend aan de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de laedens berust. De wet wijst in ieder geval de aard van de schade en de aard van de geschonden norm als relevante omstandigheden aan. Volgens de Hoge Raad zijn echter alle omstandigheden van het geval relevant. In de literatuur en jurisprudentie zijn, mede naar aanleiding van de door Brunner in 1981 geformuleerde ‘deelregels’, inmiddels verschillende relevante omstandigheden geïdentificeerd: het doel en de strekking van de norm, de aard van de schade (letsel-, zaaks- of vermogensschade), de waarschijnlijkheid van de schade, de verwijderdheid van de schade etc.
563. De relativiteit en de redelijke toerekening zijn gaan overlappen door de positieve vormgeving van de relativiteit enerzijds en de integratie van de aard en strekking van de norm in de redelijke toerekeningsleer anderzijds. De huidige relativiteitsleer beheerst de vraag of de gelaedeerde, diens schade en de wijze van intreden daarvan door de norm beschermd worden. Voor de redelijke toerekeningsleer bestaat daardoor bij strikte toepassing van die drieledige positieve relativiteitsleer geen zinnige eigenstandige functie meer. Het is immers lastig vol te houden dat de geschonden norm precies de gelaedeerde, diens schade en de intredingswijze daarvan wil beschermen, maar die schade desondanks vanwege bijvoorbeeld een te ver verwijderd verband niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dat de norm de gelaedeerde en diens schade wil beschermen impliceert immers logischerwijs dat de schade niet te ver verwijderd is om voor vergoeding in aanmerking te komen. Omgekeerd spelen binnen de redelijke toerekening ook het doel en de strekking van de geschonden norm een rol. Dat is problematisch, omdat diezelfde doel en strekking bij de relativiteit al doorslaggevend zijn. Het is in de huidige dogmatiek onduidelijk hoe met deze doublure omgegaan moet worden.
564. De overlap leidt temeer tot problemen, omdat beide leerstukken ieder eigen criteria kennen. Zonder een goede afbakening van beide leerstukken blijft daardoor onduidelijk welke vraag aan de hand van welke criteria beantwoord moet worden. Het systeem is daardoor onvoldoende consistent en voorspelbaar. In de praktijk loopt de toepassing van de criteria dan ook niet zelden door elkaar. De Hoge Raad stelt de relativiteit van wettelijke normen bijvoorbeeld lang niet altijd door uitleg vast. Ook het secundair daderschap van de Staat en het bestaan van een onbeperkte groep potentiële gelaedeerden blijken soms een rol te spelen (Duwbak Linda). Diezelfde gezichtspunten spelen in vergelijkbare kwesties echter soms weer geen rol (Schietincident Alphen a/d Rijn). Een verklaring daarvoor ontbreekt.
565. Dit hoofdstuk ontwikkelde een driestapsmodel waarin aan de relativiteitsleer en de redelijke toerekeningsleer ieder een duidelijke eigen plaats toekomt met eigen criteria. De systematiek valt in drie stappen uiteen:
Strekt de geschonden norm gezien haar doel en strekking duidelijk niet tot bescherming van de gelaedeerde, diens schade of de intredingswijze? In dat geval ontbreekt op de voet van art. 6:163 BW de relativiteit en bestaat dus voor die schade geen aansprakelijkheid.
Laat zich positief vaststellen dat de norm de gelaedeerde gezien haar doel en strekking wel duidelijk tegen diens schade en de intredingswijze daarvan wil beschermen? In dat geval is die schade toerekenbaar ex art. 6:98 BW.
Indien het antwoord op vraag (i) en (ii) negatief is: moet de schade op grond van een integrale art. 6:98 BW-afweging aan de onrechtmatige daad toegerekend worden? Is dat het geval, dan bestaat voor die schade aansprakelijkheid.
566. In deze systematiek beheerst de relativiteit dus nog enkel – conform de wettekst – de vraag of de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de norm daartegen in een van de drie relevante opzichten niet wil beschermen. Vervolgens komt de art. 6:98 BW-toets aan de orde. In dat kader geldt de regel dat schade in ieder geval toerekenbaar is, als de geschonden norm de gelaedeerde wel duidelijk tegen diens schade en de intredingswijze daarvan wil beschermen. Afhankelijk van de onrechtmatigheidscategorie moet deze vraag beantwoord worden door uitleg van de norm op basis van de klassieke uitleginstrumenten (wetsschending), het in abstracto te beschermen gevaar en de achterliggende noties en beginselen (ongeschreven normen) of aan de hand van de aard, inhoud en doel van het geschonden recht (rechtsinbreuk). Bieden die methoden geen uitkomst, dan komt de vraag aan de orde of op basis van een integrale art. 6:98 BW-toets voldoende grond bestaat voor toerekening van de schade.
567. Dit hoofdstuk liet aan de hand van de zaken Barneveld/Gasunie, Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn zien dat voornoemde methode volgens mij op een consistentere, en daarmee inzichtelijkere, wijze dan thans het geval is de vraag beantwoordt of, en welke, schade vergoed moet worden. Verder bleek dat de uitkomst van die kwesties minder rechtspolitiek is ingegeven dan men op het eerste gezicht zou zeggen. Het driestapsmodel biedt volgens mij verder een kader waarbinnen duidelijk wordt welke vragen in ieder geval niet op rechtspolitieke gronden genomen kunnen en mogen worden (de vragen binnen stap 1 en 2) en waar – wegens het ontbreken van een voldoende duidelijke door de wetgever opgestelde regel – wel enige ruimte bestaat voor een gemotiveerde en wettelijk ingekaderde rechtspolitieke afweging (stap 3).
568. Ten slotte onderzocht het hoofdstuk hoe de driestapstoets processueel moet worden ingebed in de (eventuele) voor de relativiteit en redelijke toerekeningsleer geldende stelplicht, bewijslast of argumenteerlast. De eerste stap past daar zonder problemen in. Of de geschonden norm duidelijk niet strekt tot bescherming van de gelaedeerde en diens schade moet de rechter zelf steeds beantwoorden in het kader van zijn onderzoek ex art. 24-25 Rv of voor toewijzing van de vordering op grond van de gestelde feiten een rechtsgrond bestaat.
569. Ook de tweede en derde stap laten zich volgens mij processueel inbedden. In de literatuur bestaat over de verhouding van art. 6:98 BW tot art. 150 Rv en art. 24-25 Rv geen consensus. Ik constateerde dat art. 6:98 BW in verschillende opzichten niet goed op art. 150 Rv en art. 24-25 Rv aansluit, omdat (i) de bepaling zowel ten bate van de gelaedeerde als de laedens kan werken, (ii) zij zowel gewicht toekent aan ‘juridische’ als ‘feitelijke’ omstandigheden en (iii) de tekst van art. 6:98 BW suggereert dat de rechter steeds moet onderzoeken in hoeverre de schade kan worden toegerekend. Art. 6:98 BW laat zich mijns inziens als volgt in de systematiek van art. 150 Rv en art. 24-25 Rv integreren. De rechter kan en moet steeds zelfstandig nagaan in hoeverre de schade ex art. 6:98 BW toegerekend kan worden op basis van de feiten die de gelaedeerde moet stellen, en zo nodig bewijzen, ter toewijzing van een vordering ex art. 6:162 BW (onrechtmatig gedrag, csqn-toets, toerekenbaarheid en schade) – of een andere vorderingsgrondslag. Daaruit vloeit ook steeds informatie voort over aard, doel en strekking van de norm en de schade, de objectieve waarschijnlijkheid van het intreden daarvan, de verwijderdheid van de schade etc. Dit biedt de rechter in ieder geval op grond van de aard van de geschonden norm de ruimte de schade toe te rekenen als die norm duidelijk strekt tot bescherming daarvan (stap 2). Die omstandigheden zijn bovendien de basis voor de uitvoering van een (eventuele) volledige art. 6:98 BW-toets (stap 3). De rechter kan en moet binnen stap 3 op basis daarvan vaststellen in hoeverre de schade moet worden toegerekend. Indien de gelaedeerde meent dat bepaalde ‘feitelijke’ omstandigheden (het verzekerd zijn van de schade, beperkte draagkracht) aan de toerekening extra bijdragen of de laedens juist meent dat bepaalde omstandigheden daaraan afdoen (eigen verzekering gelaedeerde etc.), zullen zij die feiten steeds zelf moeten stellen en, zo nodig, moeten bewijzen. Aldus kan de rechter ook stap 3 uitvoeren binnen het bestaande processuele systeem.
570. Ik ben ondertussen de eerste om toe te geven dat de in dit hoofdstuk voorgestelde driestapstoets, evenals het huidige systeem, geen absoluut antwoord op de aansprakelijkheidsvraag zal geven. Het gaat mij er vooral om dat deze toets de relativiteit en redelijke toerekening weer duidelijk dogmatisch van elkaar onderscheidt en in het verlengde daarvan duidelijk maakt hoe, en aan de hand van welke criteria, gezocht moet worden naar het antwoord op de vraag of de geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt. Dat is al een stap vooruit.