De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.4:7.4 De verhouding tussen de relativiteitsleer en de redelijke toerekeningsleer
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.4
7.4 De verhouding tussen de relativiteitsleer en de redelijke toerekeningsleer
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284558:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
467. Op het eerste gezicht lijken de relativiteit en de redelijke toerekening twee duidelijk van elkaar te onderscheiden leerstukken met eigen criteria. De relativiteit bepaalt aan de hand van doel en strekking óf de geschonden norm de gelaedeerde wil beschermen tegen de ingetreden schade en de wijze waarop die schade is ingetreden – en heeft dus betrekking op de vestiging van aansprakelijkheid. De redelijke toerekeningsleer bepaalt aan de hand van verschillende gezichtspunten in hoeverre de laedens voor de veroorzaakte schade aansprakelijk is – en heeft dus betrekking op de omvang van aansprakelijkheid.
468. Aan beide leerstukken kleven echter onduidelijkheden. Bovendien is hun verhouding op dit moment minder duidelijk dan het wettelijk systeem suggereert. Beide leerstukken blijken namelijk in belangrijke mate te overlappen. Dat is problematisch, omdat ieder leerstuk eigen criteria kent. Zonder duidelijkheid over de scope van de leerstukken en de bijpassende criteria is het niet goed mogelijk een casus op inzichtelijke wijze op te lossen. Ik bespreek hieronder de belangrijkste onduidelijkheden van de leerstukken en verklaar waardoor de overlap tussen beiden ontstaat. Vervolgens bespreek ik hoe beide leerstukken volgens mij op een voldoende afgebakende wijze binnen het wettelijk systeem een eigen positie kunnen krijgen. Daardoor ontstaat meer duidelijkheid over het domein van de relativiteit en dat van de redelijke toerekening. Dat geeft structuur en bakent af welke criteria van geval tot geval van toepassing zijn. Die systematiek vormt de basis voor de toepassing van beide leerstukken binnen het besluitenaansprakelijkheidsrecht in hoofdstuk 8.
7.4.1 De relativiteitsleer behelst als positief driedelig criterium al volledig vestigings- en omvangfase van de aansprakelijkheidsvraag7.4.2 Relativiteitsleer schiet in twijfelgevallen tekort bij vaststelling of schade onder doel en strekking valt7.4.3 Tussenconclusie