Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/II.5.3
II.5.3 Voorbereidend besluit
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178760:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 2:130/240 lid 3 BW en HR 17 december 1982, NJ 1983/480, m.nt. Maeijer (Bibolini). Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/333-335 en HR 5 januari 1979, NJ 1979/317 m.nt. Maeijer (Volkshogeschool ’t Oldörp).
HR 29 november 2002, NJ 2003/455, rov. 3.4.5 (Berghuizer Papierfabriek).
Zo ook Huizink 2003, p. 183 en Huizink 2019/134. Zie uitvoerig § VI.7.1. Daar ga ik in op de rechtspraak van de Hoge Raad, waaruit wellicht volgt dat de eiser in gevallen als deze juist geen belang heeft.
Vgl. Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 8 (MvA Wet bestuur en toezicht): ook zonder vernietiging van het besluit kan het schenden van de tegenstrijdigbelangregeling grond zijn voor bestuurdersaansprakelijkheid.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/302 en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/91.
Zie over bekrachtiging en bevestiging § VI.2 resp. § VI.3.
Zie § VII.3.
Dat de ook Ondernemingskamer alleen besluiten (en geen beslissingen) kan vernietigen (Geerts 2004, p. 284, Assink/Slagter 2013 (Deel 2), § 93.3, p. 1782 en Eikelboom 2017, p. 459-461), is niet meer relevant als het besluitbegrip ruim wordt opgevat.
Zie Eikelboom 2017, p. 458 en art. 2:356 onder a BW (vernietiging als eindvoorziening).
De procedure van art. 2:14 en 2:15 BW is meer op een enkel besluit toegesneden. Toch kan een enkel besluit soms wel degelijk wanbeleid opleveren, terwijl anderzijds het beleid als geheel aan de orde kan komen bij de toetsing van een besluit aan de redelijkheid en billijkheid (art. 2:15 lid 1 onder b BW). In deze zin ook Bier, in haar noot onder het aangehaalde KLM-arrest, Ondernemingsrecht 2013/123 en – iets anders – Eikelboom 2017, p. 32 en 466, nt. 40. Vgl. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/456 en A-G Timmerman, in zijn conclusie voor HR 12 juli 2013, NJ 2013/461, m.nt. Van Schilfgaarde (KLM), punt 3.8, alsmede OK 14 januari 1993, NJ 1993/460 (Zinkwit), OK 15 september 1994, NJ 1995/540 (Kerstens) en HR 18 april 2003, NJ 2003/286, m.nt. Maeijer (RNA), rov. 3.26.
Zie verder over de verhouding tussen art. 2:14/15 BW en de enquêteprocedure § VII.8.1.
Van der Heijden 1936, p. 154.
In het eerder gegeven voorbeeld beslist het bestuur van Kroon NV om armaturenfabrieken te verkopen, waaraan de raad van commissarissen zijn statutair vereiste goedkeuring geeft (§ 2.2). Mijns inziens gaat het in dit voorbeeld om twee besluiten: zowel het bestuur als de raad van commissarissen neemt een besluit dat voorbereidt op een rechtshandeling ‘naar buiten’, de verkoop van de fabrieken.
Stel dat deze voorbereidende besluiten al zijn uitgevoerd en dat de armaturenfabrieken zonder goedkeuring van de raad van commissarissen van de hand zijn gedaan. Aangezien de besluitvorming binnen de rechtspersoon de vertegenwoordiging naar buiten niet raakt, valt niets meer te doen aan de koopovereenkomst. De Bibolini-exceptie gaat niet op.1 Zal de rechter desgevorderd de voorbereidende besluiten vernietigen? De besluiten legitimeerden dat de bestuurders tot verkoop van de fabrieken over zijn gegaan, en zijn inmiddels uitgewerkt. De verkoop zelf kan niet worden aangetast. Wel heeft een eventuele vernietiging betekenis voor de toepassing van art. 2:9 BW. Als de rechter de voorbereidende besluiten de wereld uit helpt, komt vast te staan dat de bestuurders in strijd hebben gehandeld met de statuten door de fabrieken zonder goedkeuring van de raad van commissarissen te verkopen. Het Berghuizer Papierfabriek-vermoeden gaat op, zodat in beginsel vaststaat dat de bestuurders een ernstig verwijt treft nu zij in strijd hebben gehandeld met een regel die de rechtspersoon beoogde te beschermen.2 In zoverre kan de eiser bij de vernietiging van de besluiten een redelijk belang hebben (in de zin van art. 2:15 lid 2 onder a BW of art. 3:303 BW).3 Veel betekenis heeft dit evenwel niet. Ook zonder dat de ongeldigheid van een besluit vaststaat, kan de rechter meewegen dat besluitvorming onregelmatig heeft plaatsgevonden.4
Maar stel, anders dan hiervoor, dat de voorbereidende besluiten nog niet zijn uitgevoerd. De fabrieken zijn nog niet verkocht. Dan heeft een vernietiging meer praktische relevantie. Zou de rechter de goedkeuring van de raad van commissarissen vernietigen, dan mag het bestuursbesluit om te verkopen geen uitvoering vinden totdat de raad van commissarissen opnieuw (maar dan rechtsgeldig) besluit om daaraan zijn zegen te geven. Het bestuursbesluit is krachteloos.5 Vernietigt de rechter het bestuursbesluit, dan zal evenzeer opnieuw besluitvorming moeten plaatsvinden om aan de statutaire goedkeuringseis te kunnen voldoen. De vernietiging verhindert dus in principe de uitvoering van het besluit. Handelen de bestuurders toch, dan zijn ze intern aansprakelijk, ook hier gezien het Berghuizer Papierfabriek-vermoeden. Maar reeds het verhinderen van de uitvoering zal mijns inziens een belang opleveren bij de vernietiging van de besluiten.
Toch zal de eiser in beide gevallen waarschijnlijk niet de weg bewandelen die ik hier schets. Als het de eiser erom gaat de uitvoering van een besluit te verhinderen, maken procedurele redenen de route van art. 2:14 en 2:15 BW weinig aantrekkelijk. Allereerst zal het vaak mogelijk zijn om elk moment een nieuw, rechtsgeldig voorbereidende besluit te nemen of om het eerdere besluit te helen.6 De lopende, niet zelden langdurige bodemprocedure wordt dan zinledig. Bovendien levert de ongeldigheid van de besluiten maar weinig op, als die niet kan verhinderen dat een nieuw besluit wordt genomen waartegen opnieuw rechtsmiddelen moeten worden aangewend om vertegenwoordiging naar buiten te voorkomen. Verder zal de gang naar de rechtbank dikwijls gecombineerd moeten worden met de stap naar de voorzieningenrechter. Om de uitvoering van een besluit te voorkomen zijn dan twee procedures nodig. Weliswaar kan de rechtbank op voet van art. 233 Rv een besluit schorsen, maar de praktijk wijst uit dat rechtbanken niet al te voortvarend zijn in het treffen van zo’n voorlopige voorziening.7 Ten slotte – wellicht nog het belangrijkst – zullen vaak effectievere procedures voorhanden zijn dan die van art. 2:14 en 2:15 BW. Een voorbereidend besluit kan evengoed aan de orde komen in een enquête- of bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure. Zeker de enquêteprocedure is effectief en snel, omdat de Ondernemingskamer de onmiddellijke voorzieningen kan treffen die haar goeddunken en in dezen niet schroomt. Zo kan de Ondernemingskamer besluiten8 schorsen, nietig achten en – als definitieve voorziening – vernietigen.9 Hoewel één enkel besluit in beginsel nog geen gegronde reden of wanbeleid oplevert,10 staat de enquêteprocedure vaak open als het óók mogelijk is om de weg van art. 2:14 en 2:15 BW te bewandelen.11
Dat een voorbereidende beslissing als besluit valt aan te merken, is kortom een dogmatische boodschap waaraan de praktijk op zich weinig heeft. Belangrijker is dat een snelle, effectieve procedure voorhanden is waarbinnen de rechter een voorbereidend besluit kan toetsen, opdat de uitvoering daarvan kan worden verhinderd. Dat is bij besluiten veel belangrijker dan bij andere rechtshandelingen. Het komt erop aan de uitvoering te voorkomen. Zoals Van der Heijden schreef:
‘[Als een besluit] gericht mocht zijn op feitelijk handelen, heeft nietigverklaring daarvan geen zin. Wie meedeelt, dat hij zich verdrinken gaat, dien belet men dit beter door hem bij den kraag te pakken dan door zijn besluit nietig te verklaren.’12
Kort gezegd: ook voorbereidende beslissingen zijn besluiten, maar daar schieten we niet veel mee Mijns inziens verdient met name de voorziening van art. 233 Rv versterking. In afwachting van het oordeel over de geldigheid van een besluit zouden rechtbanken bereid moeten zijn het desbetreffende besluit en de uitvoering daarvan op te schorten. Zie § VII.3.