Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.3.1
2.3.1 Wet op de Vermogensbelasting 1892
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285415:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 27 september 1892, tot heffing eener Vermogensbelasting (Wet op de Vermogensbelasting 1892), Kamerstukken II 1891/92, 125, Stb. 1892, 223. De geheimhoudingsbepaling was opgenomen in art. 43 Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 2, vernummerd naar art. 47 Gewijzigd ontwerp van wet, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 46. Bij koninklijk besluit van 5 september 1918, Stb. 1918, 542 vernummerd naar art. 52 Wet VB 1892.
H.E. Koning, De geheimhoudingsverplichting van de fiscus, WFR 1964/681. Zie over de geheimhouding ook: Van Walsum 1900, blz. 326 e.v., Van Walsum/De Wilde 1920, blz. 354 e.v. en Adriani 1935, blz. 387 e.v.
Voor een uitgebreid overzicht: Rahder 1892, blz. 113-254.
Pfeil 2009, blz. 227.
MvT, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 3, blz. 10.
Handelingen II 1891/92, blz. 1338.
VV, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 4, par. 15, blz. 31. In 1927 werd de aanslagregeling opgedragen aan de inspecteurs der directe belastingen (Wet van 28 april 1927, houdende nadere voorzieningen ten aanzien van de heffing van vermogensbelasting, de verdedigingsbelasting I en de inkomstenbelasting, Kamerstukken II 1926/27, 71, Stb. 1927, 98. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1925/26, 170).
MvT, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 3, par. 6, blz. 9. Vergelijk: Kamerlid Stuers die bij de behandeling van de Wet IB 1914 opmerkte dat: ”Indertijd, toen de vermogensbelasting als een nieuwe zaak hier geïntroduceerd word, is door de Regeering plechtig gezegd, dat men de patiënten uitnoodigde om zelf op te geven wat hun vermogens en inkomsten waren, doch dat daartegenover stond de heilige belofte, dat de Regeering het voor zich zou houden en dat het niet verder zou gaan” (Handelingen II 1913/14, blz. 2100).
VV, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 4, par. 13, blz. 29.
MvA, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 7, par. 13, blz. 51.
VV, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 4, par. 13, blz. 29. Minister Pierson verwees hierbij naar negatieve ervaringen in het buitenland.
VV (aanvulling van de wet op de vermogensbelasting), Kamerstukken II 1902/03, 186, nr. 4, blz. 6.
MvA (aanvulling van de wet op de vermogensbelasting), Kamerstukken II 1903/04, 20, nr. 1, blz. 2.
Bij de totstandkoming van de Wet VB 1892 is tussen voor- en tegenstanders uitvoerig van gedachten gewisseld over de strikte geheimhoudingsplicht van art. 47 Wet VB 1892.1 Koning verklaart dit doordat geheimhouding een ‘nieuwigheid’ was.2 Eerdere wetsvoorstellen om vermogen te belasten haalden de eindstreep niet.3 Pfeil geeft aan dat hiervoor talloze argumenten uit de hoge hoed werden getoverd waaronder het aloude verzet tegen de ‘openbaarmaking der fortuinen’.4 In de memorie van toelichting bij de Wet VB 1892 is aangegeven dat niets onbeproefd is gelaten om stipte geheimhouding van de aanslagen te verzekeren.5 Het vasthouden aan het beginsel van geheimhouding zou zelfs een beslissende factor zijn geweest bij de totstandkoming van de wet.6 Kamerlid Kolkman gaf tijdens de parlementaire behandeling zelfs aan dat: “De grondslag van deze wet is geheimhouding”.7 Geheimhouding werd onder meer verzekerd doordat de uitvoering van de wet werd opgedragen aan de ambtenaren der registratie omdat hun aantal veel geringer was dan dat van de ambtenaren der directe belastingen.8
Belastingplichtigen werden geacht op eigen aangifte volledige openheid van zaken te geven. Hiertegenover stond dan een strikte geheimhouding.9 Als tweede argument werd aangedragen dat het een feit van algemene bekendheid was dat bij het publiek van oudsher een grote weerstand bestond tegen openbaarmaking van vermogens. Het zou volgens Minister Pierson niet verstandig zijn om met de openbaarmaking deze nieuwe belasting impopulair te maken.10 Openbaarmaking zou juist een prikkel kunnen zijn om een te lage aangifte te doen. In een pleidooi voor openbaarheid werd door Kamerleden betoogd dat de controle van het publiek onmisbaar zou zijn. Minister Pierson zag echter in publiciteit een groot gevaar.11 De neiging om anderen rijker in te schatten dan zij werkelijk zouden zijn zou juist een vrijbrief opleveren om zelf dan ook maar een te lage aangifte in te dienen.12 Ook bij de invoering van de navorderingsmogelijkheid in de Wet VB 1892 in 1903 werd opnieuw gepleit voor openbaarheid omdat dit het meest afdoende middel tegen fraude was.13 In zijn reactie was Minister Harte van Tecklenburg kort en bondig: het doel van het wetsvoorstel was niet bedoeld om de beginselen van de bestaande wet te herzien.14 Een discussie over geheimhouding had naar zijn mening geen zin.