Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.3.1
4.3.3.1 Een opzichzelfstaand heffingsmoment?
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496607:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Dit lijkt mij evident. De correctie doet zich voor op het moment dat de vergoeding alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen. De toevoeging dat de vergoeding alsnog wordt ontvangen ‘nadat het recht op teruggaaf is ontstaan’ is naar mijn mening dan ook een beetje dubbelop en had ook achterwege kunnen blijven.
Kamerstukken I 2016/17, 34 552, nr. E, p. 66 (MvA). In de versie van het wetsvoorstel waarover internetconsultatie heeft plaatsgevonden, was het opnieuw verschuldigd worden van de belasting over alsnog ontvangen bedragen overigens gekoppeld aan de daadwerkelijke teruggaaf van belasting. In deze opzet werd de belasting opnieuw verschuldigd wanneer de vergoeding alsnog werd ontvangen na het moment van de feitelijke teruggaaf.
Zo dient de maatstaf van heffing wegens niet-betaling op grond van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 ook te worden verlaagd, indien de ter zake de prestatie verschuldigde btw niet reeds aan de Belastingdienst is voldaan (zie ook paragraaf 4.3.1.2) en en in de omgekeerde situatie zou herziening van de aftrek van btw ook moeten plaatsvinden als de aftrek feitelijk niet is genoten (paragraaf 6.3.1.2).
Kamerstukken I 2016/17, 34 552, nr. E, p. 66 (MvA). Zie paragraaf 4.3.4 voor de overdracht van vorderingen.
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 33 (MvT). De wetgever leek de reikwijdte van art. 29 lid 5 Wet OB 1968 aanvankelijk tot deze situatie te beperken (zie de gepresenteerde concept wettekst en het verslag onder de internetconsultatie).
Zie ook paragraaf 6.3.4.1.
Herziening van de btw-teruggaaf bij oninbare vorderingen kan alleen aan de orde zijn wanneer het recht op teruggaaf van btw (art. 29 lid 1 en 2 Wet OB 1968) eerder is ontstaan. Is de maatstaf van heffing nog niet verlaagd, dan kan van een correctie geen sprake zijn.1 De koppeling met het aanvankelijke ontstaansmoment van het recht op teruggaaf (en niet de teruggaaf zelf) maakt mijns inziens dat de herziening een opzichzelfstaand heffingsmoment behelst: ook als de leverancier vanwege een oninbare vordering in eerste instantie geen btw heeft teruggevraagd, maar het recht op teruggaaf wel reeds is ontstaan, moet hij de btw op aangifte voldoen.2 Dit lijkt mij op het eerste gezicht een juiste benadering en doet recht aan het uitgangspunt dat het materiële recht leidend is.3 Daarnaast onderschrijf ik de door de wetgever geciteerde (praktische) complicaties indien het ontstaan van de correctie zou zijn gekoppeld aan de feitelijke teruggaaf. Zo zou het voor zowel ondernemers als de Belastingdienst veelal lastig zijn om per vordering na te gaan in hoeverre in het verleden het recht op teruggaaf daadwerkelijk is geëffectueerd. Dit zou bovendien extra moeilijk zijn in de situatie waarin een vordering na het ontstaan van het recht op teruggaaf van rechthebbende zou zijn gewisseld.4 De correctie zal zich volgens de wetgever in de praktijk vooral voordoen wanneer de aanvankelijke btw-correctie is gemaakt vanwege het verstrijken van de éénjaarstermijn.5
Let wel: dit uitgangspunt van de wetgever klopt wanneer de belastingplichtige bij het verstrijken van de éénjaarstermijn inderdaad een correctie zou moeten maken. In paragraaf 4.3.2.3 heb ik echter betoogd dat het fatale karakter van de éénjaarstermijn op gespannen voet staat met het Unierecht. Onder verwijzing naar het door de Hoge Raad geaccepteerde dynamische ontstaansmoment, zou het recht op teruggaaf in mijn optiek ook later moeten kunnen ontstaan. Wanneer een belastingplichtige heeft verzuimd om bij het verstrijken van de éénjaarstermijn een correctie te maken, komt het mij voor dat het maken van een correctie op de correctie alleen dan aan orde is wanneer de ‘betaling alsnog’ volgt op een later (na het verstrijken van de éénjaarstermijn) toch nog gemaakte herziening op de voet van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 dan wel, bij gebreke daarvan, (in het erg theoretische geval) wanneer de ‘betaling alsnog’ plaatsvindt nadat eerder is komen vast te staan dat betaling in rechte niet meer door de crediteur kon worden gevorderd (zijnde het einde van het dynamische ontstaansmoment). Bij het accepteren van een niet-fataal karakter van de éénjaarstermijn zal de herzieningsverplichting derhalve niet gauw een opzichzelfstaand heffingsmoment kunnen vormen.6 Het zou vanuit dat perspectief dan toch de voorkeur hebben gehad om aansluiting te zoeken bij de daadwerkelijk gemaakte correctie (de hiervoor genoemde (praktische) complicaties bij overgedragen vorderingen ten spijt)7.