Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.3.3.2
9.3.3.3.2 Doorwerking van de bewijslast uit de sfeer van de heffing naar de boetegrondslag?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940418:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hiermee bedoel ik de werkelijke, uit de materiële heffingswet voortvloeiende belastingschuld.
Alleen art. 67a en art. 67b AWR zien louter op aangifteverzuimen. Strikt genomen is dat ook het geval ten aanzien van de vergrijpboete bij de definitieve aanslag van art. 67d AWR, omdat de delictsomschrijving van lid 1 alleen ziet op aangiftefouten. Voor die boete geldt echter wel de grondslagkoppeling (lid 2), zodat de materiële heffing medebepalend is.
Zie voor dat laatste paragraaf 13.3.
Zie paragraaf 7.3.4.2.
Vgl. bijvoorbeeld Hof Arnhem 25 augustus 2009, r.o. 4.9, kenbaar uit HR 28 oktober 2011, V-N 2011/53.15, BNB 2012/25. De Hoge Raad liet het Hofoordeel in stand.
Zie paragraaf 7.3.8.
Zie paragraaf 13.3.
Zie daarover nader paragraaf 13.3.5.1.2.
Zie over de achtergrond van de KBLux-affaire nader paragraaf 7.3.6.2.2.
HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945 en HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, waarover nader in paragraaf 16.6.2. Zie voorts (steeds in dezelfde zin) onder andere HR 25 november 2011, V-N 2011/62.5, BNB 2012/28, NTFR 2011/2789 en HR 2 december 2011, V-N 2011/66.5 (met samenvattende aantekening van de redactie).
Zie omtrent de omkering van de bewijslast nader paragraaf 7.4.
De bal kwam aan het rollen door een microfiche met daarop (louter) banksaldi per 31 januari 1994.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.5.2 en 4.5.3. In paragraaf 16.6.2 (die handelt over de bewijslast ingeval van omkering) ga ik uitgebreider in op de rechtsregels uit het arrest.
In paragraaf 16.6.2 ga ik nader in op dit aspect van de beslissing van de Hoge Raad.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11 en 4.12. Dat het bewijs per afzonderlijk tijdvak moet worden geleverd, is inmiddels vaste jurisprudentie, zie ook HR 8 maart 2013, BNB 2013/120, HR 27 september 2013, V-N 2013/48.3, r.o. 5.3 en HR 27 september 2013, V-N 2013/48.4, r.o. 3.3.2. Specifiek voor de KBLux-zaken heeft de Hoge Raad in 2013 richtlijnen gegeven over de wijze waarop de inspecteur het benodigde (aanvullende) bewijs van het begaan van het (kale) beboetbare feit kan leveren, zie HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.2. De Hoge Raad overwoog dat een gerechtvaardigd bewijsvermoeden kan worden aangenomen door het bestaande bewijsmiddel (de microfiche) aan te vullen met een feit van algemene bekendheid (dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet zomaar uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen). Zie over dit arrest uitgebreid in paragraaf 10.4.2, waarin ook de extrapolatie naar eerdere en latere jaren aan de orde komt.
Onder omstandigheden kan het bewijs van de trigger voor de omkering wel tevens het bewijs van (het begaan van) het beboetbare feit opleveren, zie paragraaf 16.5.3.2, paragraaf 16.6.3.2 en paragraaf 7.4.5.
Vgl. in dit verband HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 3.2.1-3.2.2, waarover nader in paragraaf 7.4.5.2.
Als de schatting van de inspecteur niet redelijk is, kan die worden vervangen door een schatting van de rechter (zie paragraaf 7.4.5.2).
Zie paragraaf 9.3.3.3.1 en nader paragraaf 13.3.5.1.2.
Vanwege de grondslagkoppeling denk ik daar anders over, zie paragraaf 9.3.3.3.1.
HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, V-N 2008/6.4, NTFR 2008/157, r.o. 3.8. Zie hieromtrent nader paragraaf 16.5.4.
HR 7 november 2014, V-N 2014/58.7, BNB 2015/57, NTFR 2014/2724. In het onderhavige arrest ging het om een vergrijpboete. Naar mijn mening zou de beslissing van de Hoge Raad niet anders zijn uitgevallen wanneer er een verzuimboete in het spel zou zijn geweest. Het gaat immers om het bewijs van het begaan van het kale beboetbare feit. Vgl. ook het commentaar van Van de Merwe in NTFR 2014/2724.
Feitelijk levert de constatering op enige dag alleen het bewijs op voor het begaan van het beboetbare feit op die dag zelf, zie de verwijzingsuitspraak Hof Amsterdam 19 januari 2016, V-N 2016/22.18.12, NTFR 2016/927, m.n. r.o. 6.4.3.
HR 7 november 2014, V-N 2014/58.7, BNB 2015/57, NTFR 2014/2724, r.o. 2.3.5 en 2.3.6.
Zou de inspecteur het bewijs ten aanzien van het bestaan van een dienstbetrekking in de andere tijdvakken afzonderlijk (op andere wijze) hebben kunnen leveren, dan verwacht ik dat de fictie voor zover die de omvang van het genoten loon in de zes voorafgaande maanden betreft, in de opvatting van de Hoge Raad wél stand kan houden. Het gaat dan immers, net als bij de redelijke schatting in het kader van de omkering, volgens de Hoge Raad om een zuivere strafmaatkwestie (zie het in paragraaf 9.3.3.3.1 besproken arrest BNB 2008/165).
De wetgever achtte de doorwerking naar de boetegrondslag eveneens onmogelijk, maar dan vanwege het (niet te leveren) bewijs van de schuldgradatie dat in de grondslagkoppeling besloten ligt, zie Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 9, p. 12. De Hoge Raad haalde deze passage uit de wetsgeschiedenis weliswaar aan, maar hoefde (omdat reeds gecasseerd werd vanwege de doorwerking als zodanig) daarover geen uitdrukkelijk oordeel te geven. Vgl. in dit verband ook de noot van Albert in BNB 2015/57, par. 2.
Zie Poelmann in zijn noot bij het arrest in FED 2015/35, par. 3.
Zie Albert in zijn noot in BNB 2015/57, par. 2. Hierbij ligt de nadruk er meestal op dat de inspecteur de aanwezigheid van de schuldgradatie altijd afzonderlijk moet bewijzen. Zie voorts paragraaf 16.3.2.
Zie omtrent de techniek van het wettelijk vermoeden inzake de bijtelling nader paragraaf 7.3.8.2.
Bij mijn weten heeft de Hoge Raad hierover echter nog geen uitsluitsel gegeven. In HR 9 januari 2015, V-N 2015/7.15, BNB 2015/63, waarin wel vergrijpboetes waren opgelegd, bleef de discussie in cassatie helaas beperkt tot de (aftrekbaarheid van) de vergoeding voor privégebruik.
Zie voor de doorwerking van de forfaitair bepaalde omvang van de heffing (de bijtelling) naar de boetegrondslag paragraaf 14.4.4.3.3.
Zie daarover nader paragraaf 13.3.5.3.2.
Via de grondslagkoppeling in par. 23-24 BBBB geldt het gesignaleerde probleem ook voor de verzuimboete bij aangiftebelastingen ex art. 67c AWR.
Zie paragraaf 7.3.4.2.
Zie paragraaf 7.3.7.4.
Zie daaromtrent hetgeen ik hiervoor onder ‘Positieve heffingscomponenten: bewijsgradatie’ opmerkte.
Vgl. het eerder in paragraaf 9.3.3.3.1 onder ‘Grondslagkoppeling bij vergrijpboetes ter zake van aanslagbelastingen’ genoemde arrest HR 4 januari 2013, V-N 2013/3.6, BNB 2013/117, NTFR 2013/127. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad (in navolging van het Hof) dat er geen opzet was geweest op de (onterechte) toepassing van de zelfstandigenaftrek. Die toepassing was louter vanwege een bewijsprobleem onterecht: de belastingplichtige kon niet aannemelijk maken dat hij voldoende uren had gemaakt.
Zie Hof Amsterdam 9 april 2015, V-N 2015/48.48.10, Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6, met name r.o. 5.9.2 en 5.6, alsmede (in dezelfde zin) de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws daarbij en bij Rb Gelderland 21 juli 2016, V-N 2016/54.4. Zie voor een voorbeeld waarin het ging om het (niet kunnen leveren van het) bewijs dat het nultarief in de omzetbelasting terecht was toegepast Rb Den Haag 22 november 2022, V-N 2023/22.2.5. Zie in dezelfde zin ook (in het kader van de kwade trouw bij navordering) HR 20 december 2019, V-N 2020/2.16 en Hof Arnhem-Leeuwarden 16 januari 2018, V-N 2018/24.6, r.o. 4.12. Zie voor enkele voorbeelden waarin er bijkomende omstandigheden waren, waardoor wél sprake was van grove schuld Hof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2019, V-N 2019/59.1.8, r.o. 4.12 en de zaak die heeft geleid tot HR 2 december 2022, V-N 2022/56.25.6 (art. 81 Wet RO).
Vgl. in dit verband HR 24 oktober 2008, NTFR 2008/2099, BNB 2008/308, in het bijzonder de (ook door het Hof) gebruikte formuleringen in r.o. 3.3, welke in algemene zin aansluiten op een situatie met bewijsproblemen.
Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 26.
Hij baseert zich daarbij vooral op het verschil in vereiste bewijsgradatie tussen deze beide sferen (waarover nader in hoofdstuk 13), zie Koopman 1996, par. 2.4.2 en p. 192-193.
Feteris 2002, p. 370.
Vgl. paragraaf 7.3.10.1 en 7.3.1.
HR 20 december 2019, V-N 2020/2.16, r.o. 2.3. De belastingplichtige had in de loop van de procedure zelf het standpunt ingenomen dat slechts een (veel) lager bedrag voor aftrek in aanmerking kwam, omdat hij het bewijs van het meerdere niet kon leveren.
Hof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2020, V-N 2020/39.18.16, r.o. 4.11, dacht hier anders over: het Hof achtte grove schuld bewezen, (onder meer) omdat er forse bedragen aan kosten en afschrijvingen waren geboekt waarvoor ‘nog geen begin van bewijs’ kon worden geleverd.
Zie omtrent aangewezen bewijsmiddelen nader paragraaf 7.3.5.3 en paragraaf 10.3.6.
In deze zin (in het kader van de vooraftrek van omzetbelasting, begrepen in niet op naam gestelde contant-bonnen): Rb Gelderland 13 februari 2020, V-N 2020/28.18, r.o. 41. Zie evenwel voor een voorbeeld waarin het Hof grove schuld aannam omdat de belastingplichtige niet kon voldoen aan de zware gradatie: Hof Arnhem-Leeuwarden 22 oktober 2013, V-N 2014/6.1.3, r.o. 4.8-4.9. In cassatie bleef dit oordeel onbesproken (HR 9 januari 2015, V-N 2015/7.15, BNB 2015/63). In dezelfde zin (inzake aangewezen bewijsmiddelen): Koopman 1996, p. 193, die naar mijn indruk meent dat er in dergelijke gevallen verwijtbaarheid bestaat ten aanzien van het (voorzienbaar) in bewijsnood geraken. Ook Hof Arnhem-Leeuwarden 16 januari 2018, V-N 2018/24.6, r.o. 4.11-4.12, lijkt die opvatting (in het kader van de kwade trouw bij navordering) te huldigen. Anders: Hof Amsterdam 12 juli 2016, FutD 2016/1961, r.o. 5.4.7.
Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6.
Zie in deze zin r.o. 5.5.4-5.5.6 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 6 april 2018, NTFR 2018/855 (art. 81 Wet RO). Hierbij moet overigens onderscheid worden gemaakt met het tegenbewijs tegen de stelling van de inspecteur ten aanzien van (ten minste enig) privégebruik (zie daarover nader hiervoor onder ‘Positieve heffingscomponenten: wetsficties’ en paragraaf 13.3.5.3.2).
HR 4 februari 2022, V-N 2022/8.16, BNB 2022/44, r.o. 2.4.1.
Het Hofoordeel werd gecasseerd omdat ‘had moeten inzien’ naar zijn aard geen opzet-verwijt betreft. Zie daarover nader paragraaf 6.4.5.
De Hoge Raad overweegt (cursivering van mij): ‘In het bijzonder brengt de omstandigheid dat belanghebbende “had moeten inzien” dat hij met zijn administratie niet aannemelijk zou kunnen maken dat de auto’s naar een andere lidstaat zijn vervoerd, en dat hij dus niet het nultarief kon en mocht toepassen op de leveringen van die auto’s, niet mee dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat hij te weinig omzetbelasting op aangifte zou voldoen en dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard.’, HR 4 februari 2022, V-N 2022/8.16, BNB 2022/44, r.o. 2.4.1. Zie voor een vergelijkbaar geval Rb Den Haag 22 november 2022, V-N 2023/22.2.5 (geen opzet of grove schuld).
Zie in dit verband paragraaf 7.3.5.3 over aangewezen bewijsmiddelen.
Zie paragraaf 9.3.3.3.1 hiervoor (slot).
Zie over die gevallen (die de aanleiding vormden voor het wetsvoorstel) nader paragraaf 9.3.3.3.1 hiervoor.
De hoogte van de (materiële1) belastingheffing vormt bij alle algemeen geldende boetes die niet louter zien op aangifteverzuimen2 direct of indirect (via de grondslagkoppeling) een element van de delictsomschrijving. Ook de bijzondere boetebepalingen uit de afzonderlijke heffingswetten sluiten in meer of mindere mate aan bij de materiële heffing.3 De vraag is vervolgens of en in hoeverre de bewijslastverdeling zoals die gold in de sfeer van de materiële belastingheffing ook doorwerkt naar de boete(grondslag). Die bewijslastverdeling kan immers afwijken van de bewijslastverdeling in de sfeer van de boete: op grond van de onschuldpresumptie moet de inspecteur immers (1) alle elementen van de delictsomschrijving bewijzen en (2) dat bovendien ‘beyond reasonable doubt’ doen.4 Het antwoord op deze vraag hangt af van het type heffingscomponent waarop de boete betrekking heeft.
Positieve heffingscomponenten: algemeen
Vindt de te lage heffing zijn oorzaak in een (ten onrechte niet of te laag aangegeven) positieve heffingscomponent, dan ontstaan er in beginsel geen problemen als bij de beboeting de heffing als grondslag wordt genomen. De bewijslast ter zake van de heffing rustte op grond van de redelijke verdeling van de bewijslast immers reeds op de inspecteur.5 Indien de inspecteur de positieve heffingscomponenten in de sfeer van de heffing volgens de reguliere regels heeft bewezen, dan zal hij het betreffende element ook in de sfeer van de boete hebben bewezen.6
Positieve heffingscomponenten: bewijsgradatie
Het enige probleem daarbij kan zijn, dat de vereiste bewijsgradatie niet wordt gehaald. In de sfeer van de heffing is doorgaans de gradatie ‘aannemelijk maken’ voldoende.7 In de sfeer van de boete is echter een (veel) zwaardere bewijsgradatie vereist voor wat betreft de elementen van het beboetbare feit.8 Kan de inspecteur dus wel aannemelijk maken, maar niet ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen dat bijvoorbeeld een bepaald bedrag aan vermeende omzet is verzwegen, dan kan over deze positieve heffingscomponent geen boete worden opgelegd.9 In mijn opvatting over de grondslagkoppeling moet de inspecteur immers het gehele bedrag (de omvang van de heffing) in de hoedanigheid van boetegrondslag bewijzen. In de opvatting van de Hoge Raad over de grondslagkoppeling hoeft dat niet op problemen te stuiten, mits de inspecteur wel overtuigend kan aantonen dat er enig bedrag is verzwegen.
Positieve heffingscomponenten: omkering van de bewijslast
Daarnaast kunnen verschillen ontstaan wanneer de inspecteur de positieve heffingscomponenten in de sfeer van de heffing niet volgens de reguliere regels heeft bewezen, bijvoorbeeld omdat de omkering van de bewijslast is toegepast. In een reeks KBLux-arresten10 uit 201111 heeft de Hoge Raad in dit verband benadrukt dat de onschuldpresumptie meebrengt dat de bewijslast ten aanzien van positieve heffingscomponenten in de sfeer van de boete een andere is dan in de sfeer van de heffing. De Belastingdienst beschikte ten aanzien van de zogeheten weigeraars en ontkenners (logischerwijs) niet over concrete gegevens over de hoogte van hun banksaldi en de door hen ontvangen rentes. Vanwege de toepassing van de omkering van de bewijslast was dit bewijsprobleem in de sfeer van de heffing niet onoverkomelijk.12 De in dat kader te maken redelijke schatting baseerde de Belastingdienst op de wél bekende gegevens uit de groep meewerkers. De bepaling van de omvang van de positieve heffingscomponenten berustte aldus (vrijwel13) geheel op een schatting. Voor wat betreft de heffing kon deze handelwijze door de beugel, maar ten aanzien van de boeteoplegging zette de Hoge Raad daar een streep door. De opgelegde boetes konden niet zonder nader onderzoek in stand blijven, omdat de inspecteur ook het begaan van het kale beboetbare feit als zodanig moest bewijzen.14 Toepassing van de sanctie van de omkering van de bewijslast ten aanzien van de heffing werkt in dit opzicht niet door naar de boeteoplegging: de boeteling hoeft immers juist niet te bewijzen dat hij geen beboetbaar feit heeft begaan.15 De inspecteur moest daarom, voor elk van de jaren waarover was nagevorderd, het bewijs leveren dat de boeteling het feit ter zake waarvan de boete was opgelegd (dus: dat de boeteling in elk van de jaren banksaldi niet had verantwoord), daadwerkelijk had begaan.16
De hiervoor bedoelde strenge lijn uit de KBLux-arresten ziet slechts op het bewijs van het kale beboetbare feit als zodanig, dus op de omstandigheid dát er (enig bedrag) te weinig is geheven. Als de inspecteur die omstandigheid alleen maar kan bewijzen aan de hand van de redelijke schatting van de omvang van de heffing (die hij in het kader van de omkering heeft gemaakt), dan is dat in de sfeer van de boete niet genoeg.17 Doorwerking van de schatting naar (het bewijs van) het bestaan van enige boetegrondslag is niet toegestaan.18 Als de inspecteur daarentegen, aan de hand van andere bewijsmiddelen, kan bewijzen (in de zin van: doen blijken) dát de boeteling het beboetbare feit heeft begaan, kan de redelijke schatting in de opvatting van de Hoge Raad wél rechtstreeks doorwerken naar (het bewijs van) de omvang van de boetegrondslag.19 De Hoge Raad heeft in BNB 2008/165 immers een principieel onderscheid gemaakt tussen het begaan van het kale beboetbare feit enerzijds en de strafmaat anderzijds.20 De omvang van de heffing is volgens de Hoge Raad geen element van de delictsomschrijving.21 De doorwerking naar de omvang betreft een zuivere strafmaatkwestie, waarvoor de onschuldpresumptie niet geldt. Wel moet vervolgens, in het kader van de bepaling van de strafmaat, rekening worden gehouden met de onzekerheid die besloten ligt in die (geschatte) boetegrondslag. De wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, moet worden meegewogen en kan aanleiding geven om de boete te matigen.22
Positieve heffingscomponenten: wetsficties
Ten slotte kunnen verschillen in bewijslastverdeling ontstaan wanneer de inspecteur de positieve heffingscomponenten in de sfeer van de heffing niet heeft hoeven bewijzen, omdat er een wettelijk vermoeden of wetsfictie van toepassing was. Zo heeft de Hoge Raad de doorwerking van de zogeheten zesmaandenfictie in de loonheffingen23 naar de boetesfeer afgewezen.24 Deze zesmaandenfictie komt erop neer, dat wanneer wordt geconstateerd dat een werknemer ten onrechte niet in de loonadministratie is opgenomen, de betreffende werknemer voor wat betreft de (loon)heffing geacht wordt ook in de zes maanden voorafgaand aan die constatering loon te hebben genoten van de inhoudingsplichtige. In de sfeer van de heffing wordt de bewijslast over de zes voorafgaande maanden dus omgekeerd (en overigens ook verzwaard). Zonder nadere bewijsvoering van de inspecteur mag echter niet worden aangenomen dat ook het beboetbare feit van art. 67f AWR in de voorafgaande tijdvakken is begaan.25 Een dergelijke doorwerking zou in strijd komen met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM.26 De Hoge Raad heeft hiermee – naar mijn mening terecht – geoordeeld dat een wetsfictie die zuiver ziet op de vraag óf het kale beboetbare feit is begaan (in casu: is enig bedrag te weinig betaald?),27 boeterechtelijk niet door de beugel kan.28 In de literatuur wordt het arrest ook wel anders uitgelegd, namelijk als een verbod op doorwerking van de fictieve heffing naar de boetegrondslag (iets wat de Hoge Raad ten aanzien van de redelijke schatting bij de reguliere omkering van de bewijslast wél heeft toegestaan)29 of – meer in het algemeen – als een verbod op de doorwerking van de omgekeerde bewijslast naar de boetesfeer (iets wat ook in het kader van de reguliere omkering van de bewijslast geldt).30
Behalve de zesmaandenfictie kent het fiscale recht vele andere wetsficties, zoals de bijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak. Ook daarbij is sprake van een wettelijk vermoeden dat werkt als een omkering plus verzwaring van de bewijslast (in dit geval: zodra een auto ter beschikking is gesteld).31 De benadering van het bewijs van het kale beboetbare feit zoals de Hoge Raad die voor de zesmaandenfictie heeft gehanteerd, geldt naar mijn mening ook voor de doorwerking van de bijtelling in de boetegrondslag.32 Dat betekent dat de inspecteur in de boetesfeer aanvullend moet bewijzen dat de ter beschikking gestelde auto daadwerkelijk (in enige mate) privé is gebruikt.33 Dat bewijs moet bovendien ‘beyond reasonable doubt’ worden geleverd.34
Negatieve heffingscomponenten en tegenbewijs tegen wetsficties
Vindt de te lage heffing zijn oorzaak in een ten onrechte of te hoog aangegeven negatieve heffingscomponent, zoals een aftrekpost, dan doemt er met name bij de vergrijpboetes35 een bijzonder probleem op. Uit de reguliere regels voor bewijslastverdeling ten aanzien van de heffing volgt immers, dat de primaire bewijslast (en dus het bewijsrisico) bij negatieve heffingscomponenten op de belastingplichtige rust.36 In de sfeer van de beboeting is dat vanwege de onschuldpresumptie net andersom. Dientengevolge kunnen op het eerste oog gemakkelijk verschillen ontstaan. Toch komen die verschillen in werkelijkheid niet snel voor.
Vooropgesteld moet namelijk worden, dat bij negatieve heffingscomponenten in feite altijd sprake is van een situatie waarin de belastingplichtige een bepaalde (aftrek)post heeft opgevoerd, waarna de inspecteur terzake een correctie heeft opgelegd. Om als grondslag voor de boete te kunnen dienen, zal die correctie vervolgens ook in rechte hebben moeten standhouden. Daaruit volgt dat er, steeds wanneer de boetegrondslag (mede) bestaat uit negatieve heffingscomponenten, sprake moet zijn geweest van een gemotiveerde betwisting door de inspecteur.37 Wanneer de correctie stand houdt vanwege de juridische onaanvaardbaarheid van de aftrekpost (bijvoorbeeld omdat niet aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek wordt voldaan), bestaat er in beginsel geen bewijsprobleem in de sfeer van de boete. Ook als de inspecteur in de sfeer van de heffing op eigen kracht voldoende feitelijk tegenbewijs heeft geleverd (dat sterker is dan het primaire bewijs van de belastingplichtige), zal hij daarmee eveneens voldoen aan de op hem rustende bewijslast in de sfeer van de boete. Eventuele problemen kunnen dan alleen veroorzaakt worden doordat de inspecteur het tegenbewijs niet naar de zware gradatie van ‘beyond reasonable doubt’ kan leveren.38
Verschillen tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete zullen voor het overige alleen ontstaan bij een zuiver bewijsprobleem aan de zijde van de belastingplichtige. Dat is het geval wanneer het bewijsrisico uit de sfeer van de heffing zich daadwerkelijk manifesteert, doordat de belastingplichtige – tegenover de betwisting door de inspecteur – geen of onvoldoende bewijs levert en de negatieve heffingscomponent louter daarom sneuvelt. Als de correctie vervolgens door zou werken in de boetegrondslag, zou de belastingplichtige in de sfeer van de boete opnieuw geconfronteerd worden met de in de fase van de heffing opgelopen bewijsnood. Van de belastingplichtige wordt voor wat betreft de bewijsvoering in de sfeer van de boete echter niets verwacht: de inspecteur moet immers bewijzen dat daadwerkelijk te weinig belasting is geheven (en dat de opzet of grove schuld daar op gericht is geweest).39 Het enkele feit dat de belastingplichtige niet kan bewijzen dat (bijvoorbeeld) een aftrekpost terecht is opgevoerd, betekent nog niet dat de inspecteur daarmee heeft bewezen dat diezelfde aftrekpost onterecht is opgevoerd.40 De belastingplichtige heeft ter zake van de negatieve heffingscomponent het bewijsrisico en daarmee het nadeel van de twijfel. De onschuldpresumptie geeft diezelfde belastingplichtige – als boeteling – echter juist het voordeel van de twijfel. De inspecteur moet het bewijs leveren dat de boeteling het beboetbare feit ‘beyond reasonable doubt’ begaan heeft. Dat bewijs kan hij naar mijn mening niet leveren door erop te wijzen dat de belastingplichtige zelf niet aan de op hem rustende bewijslast in de sfeer van de heffing heeft voldaan: daarmee zou het wezen van de onschuldpresumptie worden ondergraven.
Het is vooralsnog onduidelijk of de Hoge Raad deze doorwerking bij bewijsnood zal accepteren.41 Koopman, Poelmann & Rosier achten het ‘verdedigbaar’ dat de bewijslast in dergelijke gevallen op de inspecteur rust.42 Koopman heeft grote vraagtekens bij de doorwerking geplaatst.43 Feteris daarentegen pleit ervoor om de uit de redelijkheid voortvloeiende reguliere bewijslastverdeling ook in de sfeer van de boete te volgen. Hij onderbouwt dit standpunt door te stellen dat de belastingplichtige bij bewijsproblemen ten aanzien van dergelijke posten reeds in de sfeer van de heffing een onjuiste aangifte doet wanneer hij deze toch opvoert.44 Met deze opvatting ben ik het niet eens. Bewijsregels maken normaliter immers geen deel uit van het materiële recht dat de juistheid van de aangifte beheerst.45 Een zuiver bewijsprobleem betekent dat niet is komen vast te staan of de gestelde feiten zich wel of niet hebben voorgedaan, en dus ook niet of de aangifte al dan niet onjuist is geweest. Uit een arrest uit 2019 zou kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad deze opvatting deelt. In het kader van de kwade trouw bij navordering overwoog de Hoge Raad dat de omstandigheid dat een belastingplichtige bij nader inzien veel minder buitengewone uitgaven hard kan maken dan hij heeft aangegeven, niet zonder meer het oordeel kan dragen dat opzettelijk onjuiste gegevens in de aangifte zijn vermeld.46
Het voorgaande geldt naar mijn mening overigens a fortiori voor het bewijs van opzet of grove schuld: nu het onmogelijk is om vast te stellen of de relevante feiten zich wel of niet hebben voorgedaan, kan evenmin worden vastgesteld of het opzet of de grove schuld gericht is geweest op het onjuist aangeven van die feiten.47 Ook wanneer de heffingswet specifieke bewijsregels bevat (bijvoorbeeld verplicht aangewezen bewijsmiddelen zoals schriftelijke bescheiden48), maar de belastingplichtige daar niet aan heeft voldaan, levert dat naar mijn mening niet zonder meer het bewijs van opzet of grove schuld op.49 Het enkele feit dat een belastingplichtige had moeten weten dat hij door hem opgevoerde kosten bij betwisting waarschijnlijk niet aannemelijk zou kunnen maken, maakt nog niet dat hij grofschuldig handelt, indien hij deze kosten desondanks ten laste van de winst brengt.50 Iets dergelijks geldt naar mijn mening ook bij het leveren van tegenbewijs nadat een wetsfictie in werking is getreden (bijvoorbeeld als de belastingplichtige niet naar de zware gradatie kan bewijzen dat een auto voor niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt).51 Kortom: naar mijn mening levert de doorwerking van bewijsnood vanuit de sfeer van de heffing naar de sfeer van de boete niet alleen problemen op voor het bewijs van het kale beboetbare feit, maar ook voor het bewijs van de schuldgradatie. Linksom of rechtsom is er dus altijd aanvullend bewijs nodig om het begaan van het beboetbare feit te kunnen bewijzen, nog afgezien van het feit dat dit bewijs ‘beyond reasonable doubt’ moet worden geleverd.
Het is niet zeker of de Hoge Raad er ook zo over denkt. In een arrest uit 2022 was een casus aan de orde waarin het Hof had geoordeeld dat de boeteling met voorwaardelijk opzet had gehandeld, (onder meer) omdat de boeteling had moeten inzien dat hij niet aannemelijk zou kunnen maken dat hij voldeed aan de voorwaarden voor de toepassing van het nultarief in de omzetbelasting (een negatieve heffingscomponent).52 De Hoge Raad kwam helaas niet toe aan een oordeel over de vraag of (en onder welke voorwaarden) deze bewijsnood (voorwaardelijk) opzet zou kunnen opleveren.53 De bewoordingen van het arrest laten ruimte voor een bevestigend antwoord op die vraag.54 Het moet naar mijn opvatting dan gaan om gevallen waarin het toepassen van (bijvoorbeeld) een gunstig tarief gebonden is aan bepaalde (administratieve) vereisten.55 Als de inspecteur bewijst dat de boeteling (1) wetenschap had van die vereisten, (2) zich er bovendien van bewust was dat hij niet aan de (administratieve) vereisten voldoet en (3) desalniettemin het gunstige tarief heeft geclaimd, kan dat (voorwaardelijk) opzet opleveren. Cruciaal is dat het in zulke gevallen in wezen gaat om een schending van een (in de materiële heffingswet opgenomen) constitutieve voorwaarde voor het kunnen toepassen van een gunstige regeling. Die schending vormt dan het object van de opzet of de grove schuld. Anders gezegd: als de belastingplichtige weet dat hij niet aan de wettelijke voorwaarden voor een gunstig tarief (of een aftrekpost) voldoet en er toch aanspraak op maakt, kan er sprake zijn van opzet. Is de belastingplichtige ernstig onachtzaam geweest bij het voldoen aan de voorwaarden, kan er sprake zijn van grove schuld.
Het voorgaande is naar mijn mening anders in gevallen waarin de materiële heffingswet geen bijzondere (bewijsrechtelijke) voorwaarden stelt, maar de boeteling later eenvoudigweg niet (meer) kan bewijzen dat hij het gunstige tarief of de aftrekpost terecht heeft geclaimd. Als het vanwege zuivere bewijsnood onmogelijk is om vast te stellen of de relevante feiten zich wel of niet hebben voorgedaan, kan de inspecteur immers (zoals ik hiervoor heb betoogd) het bewijs van het kale beboetbare feit al niet leveren, laat staan het bewijs van de opzet of de grove schuld die daarop moet zijn gericht.
Voorgenomen wetswijziging
Zoals hiervoor is vermeld,56 heeft de wetgever het voornemen om de wettelijke omschrijving van de boetegrondslag bij vergrijpboetes met ingang van 2025 te wijzigen. De boetegrondslag is in het wetsvoorstel niet langer gelijk aan de omvang van de heffing, maar bestaat uit de omvang van het ‘belastingnadeel’. Soms zal het bedrag van dit belastingnadeel gelijk zijn aan het bedrag van de heffing (bijvoorbeeld het bedrag waarop de navorderingsaanslag is vastgesteld). In zulke gevallen geldt het voorgaande onverkort; ook dan is er immers sprake van rechtstreekse doorwerking vanuit de sfeer van de heffing naar de boetegrondslag. In andere gevallen zal het bedrag van het belastingnadeel echter afzonderlijk moeten worden bepaald.57 Omdat de boetegrondslag in mijn opvatting onderdeel uitmaakt van de delictsomschrijving, zal de inspecteur de omvang van dat belastingnadeel dan steeds afzonderlijk (volgens de regels in de boetesfeer) moeten bewijzen.