Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.2.2
4.2.2 Art. 28 en 28a Wet OB 1954
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500324:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1952/53, 2602, nr. 3, p. 14 (MvT).
Kamerstukken II 1952/53, 2602, nr. 4, p. 12 (VV).
Kamerstukken II 1952/53, 2602, nr. 4, p. 20 (VV).
Kamerstukken II 1952/53, 2602, nr. 5, p. 22 (MvA).
Kamerstukken II 1952/53, 2602, nr. 7, p. 6 (Gewijzigd ontwerp van wet).
Wat onder ‘financiële omstandigheden’ moest worden verstaan, bleef in het midden. Zo is het mij niet duidelijk geworden of niet-betaling wegens betalingsonwil (een debiteur kan voldoende solvabel zijn) ook onder deze bepaling viel.
Met de invoering van de Wet OB 1954 ondervond de teruggaafregeling enkele tekstuele wijzigingen. De regeling werd opgenomen in art. 28 Wet OB 1954 en kwam te luiden:
Teruggaaf van de ter zake betaalde of teveel betaalde omzetbelasting wordt, op daartoe door de ondernemer gedaan verzoek, verleend in gevallen, waarin een ondernemer:
goederen in ongebruikte staat van een afnemer terugneemt;
op de verkoopprijs, de aannemingssom of de vergoeding een vermindering verleent.
Mede wordt, op daartoe door de ondernemer gedaan verzoek, teruggaaf verleend van omzetbelasting, welke op de van artikel 22 [de aangifteverplichting; BH] te veel of ten onrechte is betaald.
(...).”
Anders dan onder het Besluit op de omzetbelasting 1940, werd de teruggaaf wegens een vermindering van de verkoopprijs, de aannemingssom of de vergoeding beperkt tot verminderingen die werden verleend om redenen die niet waren gelegen in de financiële omstandigheden van de afnemer. Zou vanwege de financiële toestand van de afnemer een vermindering worden verleend, dan zou er dus géén recht op teruggaaf van btw bestaan. Reden hiervoor was dat het door de leverancier in rekening gebrachte bedrag (in plaats van het door de afnemer voldane bedrag) als maatstaf van heffing ging dienen. Volgens de wetgever paste een teruggaaf van btw met het oog op de financiële positie van de afnemer hier niet bij.1
Dit stuitte vervolgens op vele bezwaren. Doordat btw bij wanbetaling of faillissement van de afnemer verschuldigd zou blijven, zou de omzetbelasting van een verbruiksbelasting namelijk veranderen in een bedrijfsbelasting.2 Derhalve zouden ook oninbare posten moeten leiden tot een teruggaaf van btw. Bovendien zou het vereiste dat de vermindering niet zou mogen zijn gelegen in de financiële toestand van de afnemer tot veel geschillen leiden. Het zou in de praktijk namelijk vaak moeilijk zijn om vast te stellen op welke gronden een vermindering was verleend; de leverancier zou dan ook steeds andere motieven opgeven dan financieel onvermogen van zijn debiteur, terwijl door de fiscus veelal het tegenovergestelde zou worden aangevoerd. Enkele Kamerleden merkten tot slot op dat in ieder geval teruggaaf zou moeten worden verleend in geval van faillissement van de afnemer. In dat geval zou immers vaststaan dat de leverancier genoegen zou moeten nemen met een uitkering die de failliete boedel zou toelaten.3 Vervolgens is de wetgever aan deze bezwaren tegemoetgekomen door de betreffende voorwaarde te schrappen en in alle gevallen, waarin een vermindering werd verleend, teruggaaf van btw voor te schrijven.4 Omdat de leverancier echter niet steeds uitdrukkelijk een vermindering van de prijs zou willen verlenen wanneer de afnemer om financiële redenen niet zou betalen, werd art. 28a Wet OB 1954 geïntroduceerd:5
Aan de ondernemer, die aannemelijk maakt, dat de aan zijn afnemer of zijn opdrachtgever in rekening gebrachte bedragen om redenen, gelegen in de financiële omstandigheden van die afnemer of opdrachtgever, niet of niet volledig zijn of zullen worden ontvangen, wordt, op daartoe gedaan verzoek, teruggaaf verleend van de omzetbelasting welke reeds over die niet of niet volledig ontvangen of te ontvangen bedragen is voldaan.
De te verlenen teruggaaf wordt vastgesteld bij beschikking van de inspecteur.”
Voor het recht op teruggaaf van btw was het dus niet langer vereist dat een vermindering van de vergoeding werd verleend. Voor teruggaaf van btw was het voldoende dat de in rekening gebrachte bedragen niet werden ontvangen. Art. 28a Wet OB 1954 vormt daarmee de bakermat van de huidige teruggaafregeling van btw op oninbare vorderingen. Voorwaarde was wel dat de niet-betaling haar oorzaak moest vinden in de financiële omstandigheden van de afnemer.6Art. 28 en 28a Wet OB 1954 werden later hernummerd tot art. 27 en 28 Wet OB 1954.