Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/4.2.4.2
4.2.4.2 Het Stabiliteits- en Groeipact
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Geelhoed 2003b, p. 43-44.
Verordening (EG)1466/97 van de Raad van 7 juni 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid, PbEG 1997 L 209/1 en Verordening (EG) 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten PbEG 1997 L 209/6 met corrigendum in PbEG 1998 L 46/20 en resolutie van de Europese Raad van 17 juni 1997 over het Stabiliteits- en Groeipact, PbEG 1997 C 236/1.
Geelhoed 2003b, p. 44.
Voor de verschillende argumenten voor en tegen het Stabiliteits- en Groeipact en een weging daarvan zie onder andere Geelhoed 2003b.
Zie uitgebreid: Heipertz & Verdun 2010, p. 154-173.
De zaak werd voorgelegd aan het Hof van Justitie. Het Hof oordeelde, kort gezegd, dat de Raad de procedure mocht opschorten. HvJ EU 13 juli 2004, C-27/04 (Commissie/Raad). Chalmers 2006, p. 535.
De hervorming werd tot stand gebracht door een tweetal verordeningen: Verordening (EG) 1055/2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid, PbEU 2005 L174/1 en Verordening (EG) 1056/2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten, PbEU 2005 L 174/5.
De belangrijkste veranderingen waren, met betrekking tot de preventieve arm, de introductie van een landenspecifieke middellange termijndoelstelling, de introductie van een aanpassingspad richting deze doelstelling en de mogelijkheid om af te wijken van deze doelstelling bij het doorvoeren van structurele hervormingen. Met betrekking tot de correctieve arm werd de mogelijkheid versoepeld om als lidstaat in aanmerking te komen voor een uitzondering, de factoren waarmee rekening moest worden gehouden bij de toets van de Commissie of een lidstaat een buitensporig tekort had werd in detail neergelegd en de deadlines werden in deze procedure werden versoepeld. Heipertz &Verdun 2010, p. 167-169.
Heipertz & Verdun 2010, p. 169.
De lidstaten bleken al in de tweede fase van de totstandkoming van de EMU moeite te hebben met het bereiken van een overheidstekort van maximaal 3% bbp. Onder andere om te voorkomen dat de monetaire unie zou worden ondermijnd – centraal stond ten slotte de gedachte dat gezonde overheidsfinanciën, vertaald in de 3%- en 60%-norm, bijdragen aan de prijsstabiliteit – zou de begrotingsdiscipline nog strakker moeten worden aangehaald. De procedure zoals neergelegd in het verdrag, neergelegd in het huidige artikel 126 VWEU, zou onvoldoende effectief zijn om de begrotingsdiscipline te garanderen. Het sanctiemechanisme bij de constatering van het bestaan van een buitensporig tekort is namelijk afhankelijk van (kort gezegd) het politieke oordeel van de Raad. Daarnaast wordt het oordeel over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort onttrokken aan het zicht van het Hof van Justitie EU (artikel 126 lid 10 VWEU).1
Om een bepaalde mate van flexibiliteit in de toepassing ervan weg te nemen kwam in 1996 het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) tot stand, bestaande uit twee verordeningen en een resolutie.2 Het pact bestaat uit een preventieve en een correctieve arm. In de preventieve arm (ook wel de early warning-procedure genoemd) werd geprobeerd strengere begrotingsdiscipline te bereiken door het introduceren van een middellange termijndoelstelling van evenwicht of een overschot waar de lidstaten naar zouden moeten streven. Bovendien werd strakkere controle op de begrotingen van de nationale lidstaten geïntroduceerd door de lidstaten regelmatig te laten rapporteren over de overheidsfinanciën zodat eventueel eerder actie kon worden ondernomen met betrekking tot de 3%-norm. In de correctieve arm, de buitensporige tekortprocedure, werd geprobeerd strengere begrotingsdiscipline af te dwingen door een strakkere toepassing van de procedure dan neergelegd in het verdrag. Ten eerste door de vaststelling van harde termijnen waarbinnen tegemoet diende te worden gekomen aan de aanbevelingen en aanmaningen die op basis van de verdragen konden worden gericht aan lidstaten in de buitensporige tekortprocedure en ten tweede door een meer nauwkeurige omschrijving van de sancties uit het verdrag.3 Dit moest garanderen dat het afdwingen van de begrotingsdiscipline meer ‘automatisch’ werd. Er werd een one-size-fits-all-aanpak voor het afdwingen van begrotingsdiscipline geïntroduceerd ongeacht de economische verschillen in de lidstaten.4
In 2004 bleek echter dat de discretionaire ruimte voor de Raad bij het toepassen van de buitensporige tekortprocedure niet was verdwenen. De toepassing van de regels van het Stabiliteits- en Groeipact was uiteindelijk afhankelijk van politieke overeenstemming in de Raad. In een strijd tussen de Commissie en de Raad over de toepassing van (het sanctiemechanisme van de) buitensporige tekortprocedure, bleek de Raad uiteindelijk aan het langste eind te trekken.5 De Raad schortte, tegen het advies van de Commissie in, de buitensporige tekortprocedure tegen Frankrijk en Duitsland op, terwijl de Commissie juist nadere maatregelen wilde nemen tegen deze landen omdat ze de regels hadden overtreden.6 In 2005 volgde een hervorming van het Stabiliteits- en Groeipact.7 Er werd meer ruimte gecreëerd voor de specifieke situatie van de lidstaten zodat de one-size-fits-all-strategie die ten grondslag lag aan het originele Stabiliteits- en Groeipact naar de achtergrond verdween.8 Hiermee werd de discretionaire bevoegdheid van de Raad nog explicieter in het Stabiliteits- en Groeipact opgenomen en de hervorming betekende eigenlijk een ‘gematigde afzwakking’ van het Europees budgettair kader doordat de regels flexibeler werden toegepast.9