Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/5.7.5
5.7.5 Juridische fusie waarbij in geval van maatschappijwinstdeling geen gebruik wordt gemaakt van art. 2:320 BW
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949762:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie op https://www.nn.nl/winstdeling het document Maatschappijwinstdeling Polishouders Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. waarin ook de winstdeling van polishouders van maatschappij winstdelende verzekeringen bij voorheen RVS Leven beschreven staat. In de akte van fusie tussen Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. en RVS Levensverzekering N.V. verleden op 27 december 2011 (https://www.kvk.nl) wordt in artikel 4 verklaard dat er geen (rechts)personen zijn die anders dan als aandeelhouder een bijzonder recht jegens de verdwijnende vennootschap hebben, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen.
Dortmond 1980, p. 48-54 en Dortmond 1989, p. 95-98.
Koster, in: GS Rechtspersonen, art. 2:320 BW, aant. 2.
Buijn 1996, p. 57-59.
Leijten 2004, p. 324-328; Verbrugh 2007, p. 105; Dortmond 2013/417; Asser/Kroeze 2-I 2021/439.
Inleiding
In de praktijk komen ook juridische fusies voor waarbij sprake is van maatschappijwinstdeling zonder dat op grond van art. 2:320 BW een gelijkwaardig recht wordt toegekend.1 Naar ik aanneem heeft men in dat geval op basis van de mening van één of meer specifieke juridische auteurs over ‘bijzondere rechten’ in de zin van art. 2:320 BW, de visie dat het recht op maatschappijwinstdeling niet als een ‘bijzonder recht’ in de zin van art. 2:320 BW gekwalificeerd kan worden.
Juridische auteurs met een uitleg van het bijzonder recht op basis waarvan men eventueel kan verdedigen om art. 2:320 BW niet toe te passen ten aanzien van maatschappijwinstdeling
Dortmond2 stelt in zijn preadvies uit 1980 en in zijn proefschrift uit 1989 dat de bijzonderheid van deze rechten erin is gelegen, dat de tegenover die rechten staande verplichtingen dermate zijn verknocht aan de verdwijnende rechtspersoon, dat zij niet tot verplichtingen van de verkrijgende rechtspersoon kunnen worden. In geval van maatschappijwinstdelende polissen is de formulering vaak dat de polishouder meedeelt in de winst “van de maatschappij” of het “bedrijfsresultaat”. Ik denk dat er daarom veel voor te zeggen is “verknochtheid” aan te nemen. Vervolgens zegt hij dat het gaat om rechten, waarvan de verlening of realisering invloed heeft op de structuur en inrichting van de vennootschap. Op basis hiervan zou iemand kunnen betogen dat het in geval van maatschappijwinstdelende polissen niet gaat om dergelijke bijzondere rechten. Naar mijn mening is er geen reden om dit criterium toe te passen en om dus om die reden te oordelen dat er in geval van maatschappijwinstdeling geen sprake is van bijzondere rechten in de zin van art. 2:320 BW. Daarna stelt hij dat winstrechten die zonder statutaire voorziening verleend zouden kunnen worden, ook al is in de statuten daaromtrent een regeling getroffen, niet onder de bijzondere rechten van art. 2:320 BW zouden vallen. In de tekst van de wet en de parlementaire geschiedenis is een dergelijk criterium niet terug te vinden. Ook op basis van dit criterium zou men eventueel kunnen beargumenteren dat er in geval van maatschappijwinstdelende polissen (ongeacht of het recht op maatschappijwinstdeling alleen in de statuten, alleen in de polisvoorwaarden of zowel in de statuten als de polisvoorwaarden is opgenomen) geen sprake is van een bijzonder recht in de zin van art. 2:320 BW. Deze specifieke criteria kon ik in andere literatuur niet terug vinden. Bij Koster3 vond ik de redenering dat contractuele rechten geen bijzondere rechten in de zin van art. 2:320 BW zijn, tenzij er winstrechten voor de toekomst worden verleend. Buijn4 spreekt in zijn preadvies over splitsing van rechtspersonen over specifieke rechten die zich richten op de rechtspersoon zelf (zoals aandelenkapitaal en winstgerechtigdheid) en niet op algemene rechten jegens de rechtspersoon. Ook dit is een eigen verwoording van een auteur waar eventueel een uitleg aan gegeven zou kunnen worden die tot de visie leidt dat er in geval van maatschappijwinstdelende polissen geen sprake is van bijzondere rechten in de zin van art. 2:320 BW.
Consequenties van het niet toepassen van art. 2:320 BW in geval van maatschappijwinstdeling bij de verdwijnende verzekeraar
Bij de toepassing van art. 2:320 BW is de min of meer algemene visie dat het bijzondere recht na de juridische fusie is verdwenen, daar is immers het gelijkwaardig recht of de schadeloosstelling voor in de plaats gekomen.5 Dit betekent concreet dat het recht op maatschappijwinstdeling, zoals toegekend in de polisvoorwaarden en/of statuten van de verdwijnende rechtspersoon, na de juridische fusie niet meer bestaat: het gelijkwaardig recht is daarvoor in de plaats gekomen. Indien art. 2:320 BW niet wordt toegepast, dan gaan de desbetreffende verplichtingen van de verdwijnende rechtspersoon wel conform het in art. 2:309 BW bepaalde onder algemene titel over op de verkrijgende rechtspersoon. De verkrijgende rechtspersoon moet het recht op maatschappijwinstdeling dan op ‘gelijke’ wijze toepassen als de verdwijnende rechtspersoon. Naar mijn mening is dan de denkwijze van toepassing die ik hierboven heb beschreven voor het geval van een “gewone” portefeuilleoverdracht: er is na de juridische fusie sprake van een “gelijk recht” op maatschappijwinstdeling indien de polishouder deelt in het resultaat van dezelfde verzekeringsportefeuille als waaraan ook de oorspronkelijke winstdeling gerelateerd was. In het geval dat bij de juridische fusie wel voor de toepassing van art. 2:320 BW zou zijn gekozen, zou dit ook als “gelijkwaardig recht” worden beschouwd. De uitleg van de oorspronkelijke bepalingen over winstdeling speelt dan vervolgens ook een rol bij de beantwoording van de vraag hoe de berekening van het winstbedrag dat toegerekend wordt aan die verzekeringsportefeuille moet plaatsvinden. Aangenomen mag worden dat het er al met al steeds om zal gaan wat de desbetreffende polishouders op grond van uitleg van de oorspronkelijke bepalingen mogen verwachten. Nu in de jurisprudentie over maatschappijwinstdeling voor deze lijn is gekozen, is mijn conclusie dat het wat dit betreft voor de polishouder in feite weinig verschil maakt of de levensverzekeraar het recht op maatschappijwinstdeling wel of niet als bijzonder recht in de zin van art. 2:320 BW beschouwt.