Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.9.10
3.9.10 Staatswetenschappen, aangevallen en verdedigd (1938)
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977442:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Bartels 1947.
Duyverman, ’De Staatswetenschappen, aangevallen en verdedigd’, TNB 1939, p. 317-332.
Chr. M.O., 13 oktober 1938, 631, p. 20 e.v.
N.R.C. 1 november 1938.
F. Vorstman, ‘Een onbegrijpelijk en onverstandig advies’, Weekblad 1939, 20, 2, p. 29 e.v.
J. van der Scheer, ‘Naar aanleiding van een Practicum Staatsinrichting’, Weekblad 1939, 21 p. 587 e.v.
A.W. Abspoel, ‘Wat moet de ontwikkelde leek weten van politiek?’, Ned. Studieblad 1939, 1.
Ibid., p. 9.
C.J.E. Dinaux, ’Het onderwijs in de Staatswetenschappen op onze Middelbare Scholen’, Het Vaderland, 30 april 1939 en ‘Over den stand van ons Staatswetenschappelijk Onderwijs’, Weekblad 1939, p. 1049.
A.H.M. Albregts is VOS-voorzitter van 1938-1943.
TNB 15 maart 1939, p. 103 e.v.
Aug. Albregts, ´De sociale vakken bij het middelbaar onderwijs´, N.R.C. 23 juni 1939.
Aug. Albregts, ´De Staatswetenschappen´. Bijlage bij het Weekblad 1939, 13, p. 30-32.
Weekblad 2 februari 1939.
Weekblad 6 april 1939, 32, p. 912 en Chr. M.O., 6 april 1939, 655.
Ibid., 13 april 1939.
J.P. Duyverman, ´Nieuwere stroomingen in het staatsinrichtingonderwijs´, PS 1939, p. 307.
Ibid., p. 308-309.
C.J.E. Dinaux, Weekblad 1939, 15, p. 1049.
VOS-M 1960, 58, p. 8.
Duyverman 1936, p. 2. Met elementaire beginselen zijn de gronden bedoeld.
Staatsinrichting is op het gymnasium bij geschiedenis ondergebracht. Het Examenreglement geschiedenis bevat voor α onder meer ‘kennis van de historische ontwikkeling de laatste halve eeuw en de ontwikkeling van de staatsinstellingen van het Koninkrijk der Nederlanden en hun hedendaagse structuur en functie’.
In Lubberink, Elementaire Schets van het Nederlandsche Staatsrecht 1939 is in Voorwoord te lezen dat de oud-H.B.S.er ‘in de praktijk van het dagelijks leven reeds spoedig ervaart dat kennis van de hoofdzaken van het staatsrecht geen weelde is, maar tot de geestelijke goederen behoort van het bestaansminimum’ (p. 5).
Het onderwijs in recht ziet Duyverman als steun voor de staatswetenschappen. De juridische attitude wordt complementair versterkt. Staatsinrichting en recht zijn per se juridische vakken. Dat is de reden voor een vak staatsinrichting en recht op vwo, zie: VSW-Brief aan de Minister van 12 mei 1976, Didaktiek 1976, 4, p. 45.
Curs.W. Duyverman 1936, p. 4 en J.J. Westendorp Boerma, ´Staatsinrichting onderdeel van Geschiedenis?´, Weekblad 1939, 35, p. 1004.
VOS-M 1960, 58, p. 7.
Onder maatschappelijke vakken vat Duyverman staathuishoudkunde c.a., staatsinrichting en recht.
Duyverman 1939, p. 1.
Manning 1990, p. 293-296.
De staatswetenschappen, aangevallen en verdedigd
De in 1938, in het jaar van de herdenking van 75 jaar MO-Wet1, wederom verschenen Concentratiegedachte in het rapport van de Commissie inzake aansluiting tussen het Middelbaar en Gymnasiaal, en Hoger Onderwijs vormt een zoveelste ‘bedreiging’ voor de positie van staatswetenschappen op hbs-b. De V.O.S. en Duyverman hebben die positie stevig verdedigd. Zo krijgen allen die het voor deze vakken opnemen een breed publiek forum in het manifest van Duyverman De Staatswetenschappen, aangevallen en verdedigd met 24 bijdragen, waarvan ik een aantal noem2:
Westerveld neemt stelling in Niet laten vervallen; Staatswetenschappen op de H.B.S. en het Gymnasium tegen ‘de wetgever, die onverschillig staat tegenover de Staatswetenschappen, geeft blijk de tijd niet te verstaan’, waarna Bijl staatsinrichting verdedigt in De toekomst der Staatswetenschappen met ‘Juist in deze tijden waarin extremisten […] niet genoeg kunnen krijgen van het aanprijzen van voorbeelden als voor ons navolgenswaardig, het voor de jeugd van belang is iets van ‘nationaal’ staatsrecht te weten’.3
Een anonymus stelt in Het V.H.O. en de Staatswetenschappen4 de culturele waarde vast van staatswetenschappen in het bijbrengen van verantwoordelijkheidsbesef. Hij acht eigen posities ervan noodzakelijk.
Vorstman oefent in Een onbegrijpelijk en onverstandig advies kritiek op het vervallen van staatsinrichting op hbs-b. ‘Bolkestein miskent staatsinrichting als een bij uitstek maatschappelijk vak. De burger heeft staatsinrichting hard nodig, sinds zijn invloed op het staatsbestuur door het kiesrecht’.5 Hij acht de combinatie geschiedenis en staatsinrichting ‘ondoeltreffend’.
Van der Scheer vraagt zich af in Naar aanleiding van een Practicum Staatsinrichting of samenvoeging met geschiedenis mogelijk is, doordat juridische elementen in de verdrukking komen’. Ook het economisch element komt niet tot zijn recht in staatsinrichting bij geschiedenis’.6
Abspoel verwacht ‘van de intellectueel belangstelling voor en medeleven met de vraagstukken van algemeen belang. Zulks is mogelijk met voldoende kennis van de maatschappij-inrichting […]’.7 Over de concentratie is hij kort: ‘Onbegrijpelijk; voor de hbs zijn de staatswetenschappen nodig voor algemene ontwikkeling én als staatsburger’.8
Een van de oprichters van het Comité Dinaux verbaast zich erover, ‘hoe men kon bedenken jonge mensen los te laten op de samenleving zonder enig besef van […] democratische staatsinstellingen en hen zo tot speelbal van extremistische stromingen te laten worden’.9
HBS-directeur Westendorp Boerma ziet in Staatsinrichting onderdeel van Geschiedenis in de afschaffing van staatsinrichting geen groter nadeel dan samenvoeging met geschiedenis. Als er voor staatsinrichting geen plaats meer is, ‘schaffe men dit liever radicaal af’. In het andere geval dient het haar plaats te behouden en niet weggestopt in geschiedenis (of in aardrijkskunde).
Mej. Koderitsch deelt op grond van een VOS-enquête de conclusie dat invoering van een maatschappelijk vak waarin sociale kennis, maatschappijleer of burgerkunde (curs.W) aan bod komen de voorkeur verdient: ’Het zou elementen van staatsinrichting, economie, recht en sociologie moeten omvatten die voor de vrouw voor haar taak als staatsburgeres, gehuwde vrouw, werkneemster, werkgeefster of belastingplichtige van belang zijn’.
Albregts: verplicht mondeling examen staatsinrichting
Voorzitter Albregts refereert in De Staatswetenschappen op de Maatschappijschool10 aan het geringe besef […] van ‘hbs-a als maatschappijschool met natuurlijke kernvakken […], zijnde uiteraard de maatschappelijke’.11 Hij pleit voor een verplicht mondeling examen staatsinrichting en voor waardering van sociale wetenschappen op school.12 Hij verwacht dat staatsinrichting zal ‘bijdragen tot het inzicht in staatsburgerlijke betrekkingen, […] en tot een gefundeerd oordeel over de plicht van staatsburgerlijke verantwoordelijkheid’.13 Tegelijk heeft Albregts weinig fiducie in een ‘wandrochtig’ vak geschiedenis met staatsinrichting, waar ‘het merendeel van de geschiedenisdocenten hiervan niets terecht zal brengen, in een tijd waar het juist aankomt op […] waardering van onze staatsinstellingen’.
Duyverman tegen Bolkesteins concentratiegedachte
Duyverman signaleert in Practische opmerkingen naar aanleiding van een Practicum, dat ‘nu [de staatswetenschapen] weer worden bedreigd, ze ondanks alle aanvallen sinds 1863 en ondanks het streven naar een vereenvoudiging van het onderwijs nimmer zijn weggevaagd en in de regel steeds beschikken over twee uur staatsinrichting en […] staathuishoudkunde en de statistiek’.14 Vervolgens verzet hij zich in Over U, zonder U, weg met U! Een begrafenis der Staatswetenschappen tegen het concept van een concentratieplan voor het vho. Dit concentratieplan is bedacht zonder een staatswetenschapper daarbij te betrekken en ‘waarin staatswetenschappen bloot apodictisch en ongefundeerd weg-geconcentreerd worden’.15 Hij stelt voorts de ontrouw vast van de auteurs van het Concentratieplan aan de beginselen van Bolkesteins concentratiegedachte, daar deze ‘op louter practische gronden […] de vorming van een afdeling der a-school verdedigen, waar de kern, de maatschappelijke vakken, wordt geamputeerd om te vervangen door het Latijn’.16 Het resultaat, ‘een vernielde maatschappijschool’, zet Duyverman aan de Haagse plannenmakers met klem te verzoeken de concentratiegedachte zorgvuldiger te bekijken.
Duyverman: didactiek van de staatswetenschappen invullen
Vervolgens gaat hij in Nieuwere stroomingen in het staatsinrichtingonderwijs in op de didactiek van de staatswetenschappen.17 Hierin staan ‘de betekenis van staatsburgerlijke vorming, de staatkundige en economische grondslagen en de geesteswetenschappelijke vorming’ centraal.18 De plaats van het leerboek in de lespraktijk en de zelfwerkzaamheid komen ruimschoots aan bod.19
V.O.S.: synchronisatie van vakken eerder dan concentratie
In reactie op Bolkesteins voorstellen verkiest de V.O.S. ‘synchronisatie van vakken’ boven concentratie, immers ‘concentratie in zijn goedkope vorm van een wegsnijding van leervakken, die hun practisch nut en vormende waarde driekwart eeuw bewezen, betekende steeds de dood ervan of hun verwaarlozing. Een synchronisatie is dan de oplossing voor overlading’. Over het nut van de staatswetenschappen oordeelt de V.O.S. dat ‘leerlingen toekomstige staatsburgers en deelnemers aan het maatschappelijk-economisch leven én kiezer zijn’ en dat daarom ‘niemand zijn plaats in Staat en Maatschappij mag innemen, onkundig van de politieke en economische factoren, waaraan ieder nolens volens zijn deel heeft. Dit vergt maatregelen voor het daartoe inrichten van staatswetenschappelijk onderwijs’.20
In het verlengde hiervan mag ‘niemand enige kennis van, en het inzicht in de staatkundig-economische verhoudingen ontberen; niemand mag het voorrecht worden onthouden daarvan kennis te nemen onder deskundige leiding en onder schoolse tucht’. Het bestuur stelt dat ‘ieder [...] zich bewust [moet zijn] van zijn rechten en plichten in de staatkundige orde, van zijn relatieve macht en onmacht in de economische sfeer, […] als het beroepsleven niet in zijn dienende functie wordt gekend, als niet wapens zijn uitgereikt tegen radicalisme en extremisme op politiek en economisch gebied, blijkt de waarheid: ongelukkige burgers, […] en Staat en Maatschappij’. Het staatswetenschappelijk onderwijs tracht ‘[…] dit ongeluk te keren’; ‘het poogt onwetendheid te verminderen’.
Constitutionele geletterdheid
Bij deze stelling blijft het niet. De V.O.S. benadrukt dat de tijd, die gekenmerkt is door opkomend nationaalsocialisme, geen vermindering van de sociale kennis vraagt, maar juist meer lessen in ‘de elementaire beginselen van de democratische rechtsstaat’ (constitutionele geletterdheid).21 Dit geldt ook voor gymnasiasten22: ‘wie geen economische of juridische studie kiest, kan’, volgens de V.O.S., ‘het tekort aan staatsrechtelijke en het volkomen gemis van economische kennis nimmer goed maken’. 23Daarnaast moet een hbs-a-abituriënt die een maatschappelijke functie wil gaan vervullen kennis hebben van de rechtsverhoudingen en de rechtsregels. Deze leerstof verdient ‘haar plaats alleen al om de onmisbare steun van de privaatrechtelijke materie aan staatsinrichting en economie’.24
Duyverman: privaat-/publiekrecht: scherp definiëren en kritisch beschouwen
‘Wie’, betoogt Duyverman, ‘een deel dezer verweven stof amputeert, schaadt het geheel der hoofd- of kernvakken en de begrijpende waardering van de arbeid van wetgever en rechter’. Hij haalt het V.O.S.-betoog aan ter onderstreping van zijn stelling dat ‘de publiek- en privaatrechtelijke stof, deductief gedoceerd als een logisch systeem van staatsorganisatie en als een sluitend geheel van rechtsnormen, dwingt tot scherp definiëren en critisch beschouwen, tot het met begrip lezen en logisch of historisch interpreteren van de Grondwet, de wet of het Wetboek’.25
Haagse Pedagogische Conferentie 1940
Het Concentratieplan ontmoet in de pers en op de Haagse Pedagogische Conferentie van 3 januari 1940 de nodige weerstand.26 Daar komt Duyverman in zijn inleiding met een nuttig chronologisch overzicht van de ‘aanvallen’ op het vak staatswetenschappen, de betekenis van de maatschappelijke vakken en de verdediging van het vak in dagbladen en tijdschriften. Volgens hem wordt het onderwijs in economie, staatsinrichting en recht van het maatschappelijk verkeer27 weer op meer dan één wijze en van meer dan één zijde bedreigd: ‘De aanvallen, vaak feller naarmate minder gefundeerd, hebben in den kring van hen, die van het onderwijs in deze vakken hun levenswerk maken, […] wel eens ontsteltenis veroorzaakt’. Duyverman, die nog niet moegestreden was, vervolgt zijn verdediging met: ‘Nu lijkt het een algemeen maatschappelijk belang […] bekendheid te geven aan de zienswijzen van het V.O.S.-bestuur, en te resumeren door wie, waar en hoe het goed recht ervan bepleit wordt’.28
Geen intensivering staatsburgerlijke vorming in de NSB-jaren
De voorstellen zijn niet meer op één hand te tellen. De wetgeving draait op volle toeren, maar niet voor staatsinrichtingsonderwijs. Bij Bolkestein staat de democratische vorming evenmin voorop. In het interbellum zijn er, hoe onvoorstelbaar ook, geen maatregelen genomen de staatsburgerlijke vorming in het onderwijs in een tijd van opkomend nationaalsocialisme te intensiveren.29