Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.3.4.3
4.3.4.3 Meer aandacht voor privacy?
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285426:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 17 december 2015 (WebMindLicenses), ECLI:EU:C:2015:832, BNB 2016/55.
Vergelijk: M.J.J.P. Luchtman, Samenwerkingsverbanden en de strafrechtspleging, TBS&H 2020, nr. 5, par. 4.3, blz. 233 die opmerkt: “Het is een vrij stevig oordeel dat sterk afwijkt van wat er in Nederland geldt”.
In zijn noot bij het arrest merkt Haas terecht op dat een onderscheid tussen zaken die vallen binnen de werkingssfeer van het Handvest EU en zuiver interne situaties ongewenst is (HvJ EU 17 december 2015 (WebMindLicenses), ECLI:EU:C:2015:832, BNB 2016/55 met noot F.J.P.M. Haas). Ook Barkhuysen, Van Emmerik en Vervorst constateren in hun noot bij het arrest dat het HvJ EU een strengere maatstaf hanteert ten aanzien van de uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs dan (de toepassing van) het in de Nederlandse bestuursrechtspraak gebruikelijke ‘zozeer indruist’-criterium (HvJ EU 17 december 2015 (WebMindLicenses), ECLI:EU:C:2015:832, AB 2016/393 met noot T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik en J.C. Vervorst). Widdershoven constateert dat deze tweesporigheid niet ter discussie staat, maar vraagt zich af of het werken met twee sets van rechtsbeginselen in de verdere toekomst verstandig is (Widdershoven 2014, blz. 21). Anders: Fierstra in zijn noot bij HvJ EU 17 december 2015 (WebMindLicenses), ECLI:EU:C:2015:832, EHRC 2016/107 met noot M. Fierstra.
Een andere ontwikkeling is de toenemende aandacht voor privacy en de invloed van Europese jurisprudentie. De vraag rijst of de aandacht voor privacy en de invloed van Europese jurisprudentie in de nabije toekomst niet eerder gaan leiden tot het uitsluiten van (bestuursrechtelijk) onrechtmatig verstrekte fiscale gegevens. In het WebMindLicenses-arrest van het HvJ EU is beslist dat het fiscaal gebruik van gegevens uit een strafrechtelijke procedure buiten beschouwing moeten worden gelaten ingeval deze gegevens zijn verkregen in strijd met het Unierecht.1 Ditzelfde geldt als de rechter niet in staat is te beoordelen of het bewijs in overeenstemming met het Unierecht is verkregen. Betoogd kan worden dat met het WebMindLicenses-arrest van het HvJ EU een nieuwe norm is neergezet waardoor het Nederlandse ‘zozeer indruist’-criterium drastisch wordt ingeperkt.2 Net als BNB 1992/306 ziet het WebMindLicenses-arrest, weliswaar binnen de werkingssfeer van het Handvest EU, op het uitsluiten van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in het belastingrecht door schending van het recht op privacy (art. 7 Handvest EU en het daarmee corresponderende art. 8 EVRM), maar dit zal op termijn ongetwijfeld doorwerken in het gehele bestuursrecht.3