Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.1:8.1 TERUGHOUDENDHEID ALS UITGANGSPUNT
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.1
8.1 TERUGHOUDENDHEID ALS UITGANGSPUNT
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616718:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het verbinden van een van de in art. 359a Sv genoemde rechtsgevolgen aan een vormverzuim, kan heel zinvol of zelfs noodzakelijk zijn, maar heeft bijna altijd ook nadelen. Ingrijpende rechtsgevolgen kunnen noodzakelijk zijn om het recht op een eerlijk proces te waarborgen en er kan voor politie en OM een sterke stimulans tot rechtmatig handelen vanuit gaan. Maar niet-ontvankelijkverklaring en bewijsuitsluitingkunnen tegelijk het eigenlijke doel van het strafproces en de daarmee gemoeide belangen van de samenleving en slachtoffers frustreren. Bij de toepassing van strafvermindering geldt dit in mindere mate, maar zoals het voorbeeld van de Kopschopperszaak in het ‘woord vooraf’ laat zien, kan ook de toepassing van dat rechtsgevolg tot maatschappelijke opschudding leiden. Voorde toepassing van elk van deze rechtsgevolgen geldt dan ook dat zij uit een oogpunt van evenredigheid beperkt moet blijven tot die gevallen waarin dat noodzakelijk is. Het is immers niet gerechtvaardigd om de nadelen te aanvaarden die aan de toepassing van rechtsgevolgen zijn verbonden in situaties waarin dat niet nodig is
In het vorige hoofdstuk over de afbakening van de door de zittingsrechter op het voorbereidend onderzoek uit te oefenen controle bleek dat aan nogal wat eisen moet zijn voldaan, wil een vormfout aan het oordeel van de zittingsrechter onderworpen zijn. Ook bleek dat die eisen leiden tot een sterke concentratie op het waarborgen van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM als belangrijkstedoeleinde van controle op vormfouten. Bij vormfouten die vallen onder het bereik van art. 359a Sv bestaat naast dit waarborgen van art. 6 EVRM enige ruimte voor het bevorderen van normconform gedrag en compensatie van de verdachte als doelen, maar bij vormfouten buiten art. 359a Sv is de toetsing in beginsel beperkt tot maatstaven die voortvloeien uit art. 6 EVRM. De beperking van de aard en omvang van de door de zittingsrechter uit te oefenen controle en de gestelde hoge eisen aan de motivering, stimuleren een spaarzaam gebruik van reacties op vormfouten door de zittingsrechter.
Datzelfde effect sorteren de hierna te bespreken door de Hoge Raad geformuleerde algemene uitgangspunten en de maatstaven die de zittingsrechter moet aanleggen bij toepassing van verschillende mogelijke rechtsgevolgen.
8.1.1 Rechtsgevolg geen plicht maar bevoegdheid – non-profit karakter8.1.2 Volstaan met constatering waar mogelijk, andere reactie waar nodig