De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.4.2:3.2.4.2 Op de ontbonden gemeenschap toepasselijk recht
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.4.2
3.2.4.2 Op de ontbonden gemeenschap toepasselijk recht
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383399:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Raaijmakers 2001, noot onder 3.
HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1697, r.o. 3.4, NJ 1996/499.
Raaijmakers 2001.
HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043, NJ 2000/604; JOR 2001/19 (v.o.f. Cento Nederland i.o./Cento BV). Over dit arrest: Raaijmakers 2001. En later: Rb. Almelo 6 januari 2010, JOR 2010/58 (Wilke/Olde Daalhuis).
HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043, NJ 2000/604; JOR 2001/19 (v.o.f. Cento Nederland i.o./Cento BV).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vennootschappelijke gemeenschap is na ontbinding verworden tot een verdelingsgemeenschap.1 De aard van deze gemeenschap en de verhouding tussen de gewezen vennoten verzetten zich in beginsel niet langer tegen toepasselijkheid van Titel 3.7 BW en art. 3:189 lid 2 BW bepaalt dan ook dat op de ontbonden vennootschappelijke gemeenschap de bepalingen van de tweede afdeling (‘Enige bijzondere gemeenschappen’) van Titel 3.7 en de bepalingen van de eerste afdeling van Titel 3.7, voor zover daarvan in de tweede afdeling niet wordt afgeweken, van toepassing zijn. Van de eerste afdeling zijn vooral de bepalingen die specifiek zien op de verdeling, zoals de art. 3:181, 182 en 183 BW, van belang. Niet genoemd, maar eveneens van toepassing is afdeling 3 van Titel 3.7 over nietige en vernietigbare verdelingen.2 Overigens bevat de gemeenschapstitel slechts enkele bepalingen van dwingend recht; het wordt dus in belangrijke mate aan de deelgenoten overgelaten hoe zij de VOF tot finale afwikkeling willen brengen. Op de procedures betreffende de gemeenschap van een ontbonden VOF is de tweede titel van het derde boek van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) van toepassing (art. 658-680 Rv). De vennoten moeten uiteraard ook in de vereffenings- en verdelingsfase de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht nemen.3
Enkele specifiek voor de VOF ontworpen regelingen kunnen het bepaalde in Titel 3.7 BW (deels) opzij zetten of moeten met Titel 3.7 BW in samenhang worden gelezen. Zo luidt de hoofdregel van art. 32 WvK dat na ontbinding van de VOF de vereffening geschiedt door de gewezen besturende vennoten. De hoofdregel van art. 3:170 lid 2 BW luidt dat het beheer, waaronder ook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties in de vereffeningsfase valt, geschiedt door de deelgenoten tezamen. Art. 32 WvK wijst dus een beperktere kring van personen aan dan art. 3:170 lid 2 BW. De Hoge Raad oordeelde dat beide artikelen van toepassing zijn op de ontbonden VOF, maar dat ‘de deelgenoten tezamen’ uit art. 3:170 lid 2 BW de ‘voormalige besturende vennoten gezamenlijk’ (de vereffenaars) uit art. 32 WvK zijn.4Art. 3:170 BW geeft aan in welke gevallen de vereffenaars:
Afzonderlijk kunnen handelen, namelijk bij handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, in het algemeen bij handelingen die geen uitstel kunnen lijden en bij de stuiting van verjaring ten behoeve van de gemeenschap (art. 3:170 lid 1 BW).
Gezamenlijk het beheer over de gemeenschap moeten voeren, namelijk bij andere beheershandelingen dan hiervoor genoemd, tenzij een regeling anders bepaalt. Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties en het instellen van rechtsvorderingen5 (art. 3:170 lid 2 BW). De vennootschapsovereenkomst kan een andersluidende regeling bevatten, bijvoorbeeld: iedere vereffenaar is afzonderlijk tot het beheer bevoegd.
Uitsluitend tezamen bevoegd zijn, namelijk tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed dan hiervoor vermeld (art. 3:170 lid 3 BW).