Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.4.1
3.2.4.1 Vereffening en verdeling
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385831:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Hertogenbosch 24 februari 1993, ECLI:NL:GHSHE:1993:AD1838, NJ 1994/645 (Vervolg Gebroeders Kruithof); Rb. Utrecht 28 september 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BT7221.
Rb. Utrecht 28 september 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BT7221, r.o. 4.9.
Zie bijv. Asser/Maeijer 5-V 1995/334.
Kamerstukken II 2002/03, 28746, 6, p. 6: ‘Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken voorzover dit daaruit blijkt.’ Zie ook Wezeman 2007 die spreekt over de ‘dwingende aanzuiveringsplicht’.
Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 48-49, 52 e.v. (MvT).
Anders: Slagter/Assink 2013, p. 2032.
Het ingetrokken Wetsvoorstel personenvennootschappen regelde dat ook verdeling tot de taak van de vereffenaars zou gaan behoren. Art. 826 lid 1 (over vereffening) luidde: ‘Vereffenaars zijn met inachtneming van artikel 830 bevoegd tot het verrichten van alle handelingen die ertoe strekken het vermogen van de vennootschap te vereffenen en tot verdeling of afwikkeling te brengen. Zij zijn gehouden tot een behoorlijke vervulling van hun taak.’ Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waren vereffening, verdeling (bij een overschot) en afwikkeling (bij een tekort) samen ‘vereffening in ruime zin’ (Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 48-49 en 58 (MvT)). Dit werd gesteld tegenover ‘vereffening in enge zin’, hetgeen alleen de taak tot aan de verdeling of verdere afwikkeling inhoudt en waarvoor het ‘gebruikelijke patroon geldt’: de vereffenaars moeten de lopende zaken afwikkelen en alle handelingen, ook beschikkingshandelingen, die dienstbaar zijn aan het doel van de vereffening vallen onder de bevoegdheid van de vereffenaars. Voor de verdeling bij de vereffening in ruime zin was overigens wel de medewerking nodig van alle gewezen vennoten die deelgenoot zijn in die gemeenschap. Die medewerking bestond dan uit instemming met het door de vereffenaar opgestelde plan van verdeling of uitkering. Na instemming zou de vereffenaar overgaan tot toedeling of uitkering, waarbij hij werd geacht de gewezen vennoten te vertegenwoordigen. Art. 831 lid 1 van het wetsvoorstel luidde: ‘De vereffening eindigt op het tijdstip dat de in het plan voorziene of door de rechter bevolen toedelingen, uitkeringen of bijdragen in het verlies hebben plaatsgevonden. (…)’
HR (Civiele kamer) 24 januari 1947, ECLI:NL:HR:1947:BG9451, NJ 1947/71 (Rouma/Levelt): ‘dat aan den inbreng als grond voor zoodanig gemeenschappelijk maken van de vermogensbijdragen, vreemd is het oogmerk een vermogensverschuiving tusschen de vennooten te weeg te brengen (…) dat daarom – tenzij anders mocht zijn overeengekomen – de vennoot, die, met de bijzondere bestemming den inbreng eigen, geld of goederen afstaat in den mede-eigendom der vennooten, het recht behoudt op de vermogenswaarde van het ingebrachte, zoodat hij ingeval van vereffening der maatschap, een vorderingsrecht heeft tot terugbetaling van het bedrag daarvan, voorzoover dit niet door zijn aandeel in het verlies der maatschap mocht zijn opgeteerd’.
HR 5 januari 1939, NJ 1939, p. 931 m.nt. E.M. Meijers.
Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 52 e.v. (MvT), waarin te lezen valt dat aan verdeling na ontbinding, overeenkomstig art. 3:182 BW voor het huidige recht, alle gewezen vennoten die deelgenoot zijn in die gemeenschap medewerken.
Van Mourik 2003-2, p. 137.
Zie over verdeling nader hoofdstuk 4.
Slagter/Assink 2013, p. 2032.
Na ontbinding van de VOF moeten de zaken van de gewezen vennootschap op grond van art. 32 WvK in naam van de VOF en in beginsel door de voormalige bestuurders worden vereffend. Art. 32 lid 1 WvK luidt:
‘Bij de ontbinding der vennootschap zullen de vennooten, die het regt van beheer hebben gehad, de zaken der gewezen vennootschap moeten vereffenen in naam van dezelfde firma, ten zij bij de overeenkomst anders ware bepaald, of de gezamenlijke vennooten (die bij wijze van geldschieting niet daaronder begrepen), hoofdelijk en bij meerderheid van stemmen, eenen anderen vereffenaar hadden benoemd.’
De VOF blijft na ontbinding voortbestaan als VOF in liquidatie voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is.1Art. 32 WvK maakt geen onderscheid tussen het geval dat de onderneming wel en het geval dat de onderneming niet wordt voortgezet.
Vereffening is het verrichten van al die handelingen waardoor de activiteiten van de VOF worden afgewikkeld en de goederengemeenschap in een zodanige staat wordt gebracht dat zij kan worden verdeeld.2 In de vereffeningsfase worden de zaakscrediteuren, onder wie mogelijk vennoten die een gewone vordering hebben op de vennootschap, uit het vennootschappelijk vermogen voldaan. Is dat ontoereikend, dan kan een vereffenaar op grond van art. 33 WvK van de gewezen vennoten aanzuivering vorderen. Uit de formulering van art. 33 WvK (de vereffenaars zullen ‘de benoodigde penningen kunnen vorderen’ (cursief PMB)) volgt dat de vereffenaar niet gedwongen is van deze mogelijkheid gebruik te maken. In de literatuur wordt aangenomen dat art. 33 WvK van regelend recht is en dat met goedvinden van alle vennoten de aanzuiveringsplicht terzijde kan worden gesteld.3 Maeijer gaat ervan uit dat art. 33 WvK ten behoeve van de vennoten is geschreven en dat zij dus afstand hiervan kunnen doen. Ik acht het regelende karakter van de aanzuiveringsplicht niet juist en pleit voor een dwingende verplichting in toekomstige wetgeving. De aanzuiveringsplicht ziet immers op een deugdelijke vereffening die mede in het belang is van de zaakscrediteuren, dus van derden. Dit laatste belang staat mijns inziens niet ter vrije beschikking van de vennoten. Ook in het ingetrokken Wetsvoorstel personenvennootschappen was de met art. 33 WvK corresponderende bepaling (art. 830) van dwingend recht.4 Redengevend daartoe was dat de gewezen vennoten er vanwege hun persoonlijke verbondenheid voor zaaksschulden belang bij hebben dat deze schulden vóór de verdeling van de boedel zoveel mogelijk worden voldaan.5 Na de vereffening zit de taak van de vereffenaars er mijns inziens op.6
Dan zijn de vennoten aan zet om hetgeen na de vereffening is overgebleven te verdelen.7 Zij zullen daaruit eerst de op ieders kapitaalrekeningen gecrediteerde bedragen voldoen (door uitkering in geld of door toedeling van het ingebrachte goed aan de vennoot die het heeft ingebracht onder verrekening van waardestijgingen of –dalingen).8 Als het restant ontoereikend is, kan een vennoot hetgeen hij tekort komt ook van zijn medevennoten vorderen.9 Als er echter iets overblijft, dan wordt het overschot uitgekeerd of toegedeeld aan de gewezen vennoten. Voor verdeling (dat is iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer gemeenschapsgoederen met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgt, art. 3:182 BW) is de medewerking van alle deelgenoten, dus ook de nietbesturende vennoten, vereist.10 De verdeling van het gemeenschappelijke vermogen wordt ook wel de ‘finale afwikkeling’11 genoemd.12 Assink/Slagter menen overigens dat de verdeling na voldoening van de zaaksschulden wél tot de taak van de vereffenaars behoort.13
Ik wijs erop dat de vereffening niet de verdeling omvat, maar daaraan vooraf gaat. De vereffening geschiedt in beginsel door de besturende vennoten, de verdeling door alle deelgenoten.