Zaaksvervanging
Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/5.3.4:5.3.4 Inningsbevoegdheid ten aanzien van vervangende vorderingen
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/5.3.4
5.3.4 Inningsbevoegdheid ten aanzien van vervangende vorderingen
Documentgegevens:
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624455:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook Sagaert 2003, p. 566 e.v.
Zie Pitlo/Reehuis 2006, nr. 913.
Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN) en hierover par. 5.2.3.
Partijen kunnen uiteraard ook overeenkomen dat het niet voldoen aan een dergelijke verplichting leidt tot directe opeisbaarheid van de hoofdvordering.
Indien de vordering meer dan eens is verpand, is de hoogste gerangschikte openbaar pandhouder inningsbevoegd (zie art. 3:246 lid 3 BW).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
170.
Zaaksvervanging kan belangrijke consequenties hebben voor de inningsbevoegdheid ten aanzien van de vervangende vordering.1 Aan wie moet de verzekeraar betalen als op een aanspraak een pandrecht is komen te rusten op grond van art. 3:229 BW en aan wie is de koper van een aan vruchtgebruik onderworpen zaak de koopsom verschuldigd? Daarbij moet steeds een onderscheid worden gemaakt tussen de vraag wie schuldeiser is van de vervangende vordering en wie ten aanzien van deze vordering inningsbevoegd is. Het antwoord op beide vragen is bij zaaksvervanging in veel gevallen niet identiek. Zo is de vruchtgebruiker die bevoegd heeft beschikt, wel de wederpartij van de koper en is hij op grond van art. 3:210 BW inningsbevoegd, maar door zaaksvervanging is hij niet de rechthebbende van de koopsomvordering.
Bij toepassing van art. 3:283 BW speelt de vraag naar inningsbevoegdheid ten aanzien van de vervangende vordering in beginsel niet, nu voorrechten alleen voorrang geven bij verhaal en niet direct op het (vervangende) goed zien.2 De schuldeiser is hier dus inningsbevoegd totdat de bevoorrechte schuldenaar overgaat tot verhaal. Ook bij toepassing van art. 455a Rv zijn er minder problemen, nu het vervangende beslag pas werkt na betekening, waarna aan de deurwaarder moet worden betaald. Tot betekening is de schuldeiser dus inningsbevoegd. Bij toepassing van art. 507a Rv bepaalt het tweede lid dat de notaris inningsbevoegd is.
171.
Bij zekerheidsrechten liggen de verhoudingen op het punt van schuldeiserschap en inningsbevoegdheid anders. De pandgever die zijn stil verpande zaak heeft verzekerd, is bijvoorbeeld wel de wederpartij van de verzekeraar en schuldeiser van de verzekeringsvordering, maar of hij ook inningsbevoegd is, valt te bezien. In paragraaf 2.3 is gebleken dat het pandrecht dat ontstaat door toepassing van art. 3:229 BW, veelal als een stil pandrecht kan worden getypeerd. Hierdoor is het van groot belang om mededeling van het vervangende pandrecht te doen. Tot dit moment kan de schuldenaar immers bevrijdend betalen aan de pandgever en die betaling leidt dan tot het tenietgaan van de verpande vordering en het pandrecht.3 De pandhouder moet dan wel op de hoogte zijn van het ontstaan van het in beginsel stille vervangende pandrecht, zodat hij de voor de effectiviteit van zijn bescherming noodzakelijke mededeling kan doen. Dit roept twee vragen op. Ten eerste of de pandgever verplicht is mededeling te doen van de verandering door de aantasting van het oorspronkelijke zekerheidsobject en ten tweede wanneer de pandhouder die een recht heeft verkregen op grond van art. 3:229 BW, mededeling mag doen aan de schuldenaar van de verpande vordering.
Het antwoord op de eerste vraag wordt beheerst door de rechtsverhouding tussen zekerheidsgever en -nemer. Uit de overeenkomst die de titel voor de vestiging van het oorspronkelijke zekerheidsrecht geeft, moet blijken of de vuistloos pandgever verplicht is de pandhouder van aantastingen van het pandobject op de hoogte te stellen. Hetzelfde geldt voor de hypotheekgever. De overeenkomst met de hypotheeknemer moet hier uitkomst bieden. Wanneer de overeenkomst op dit punt zwijgt, kan mijns inziens worden betoogd dat de zekerheidsgever op grond van de redelijkheid en billijkheid die zijn rechtsverhouding met de zekerheidsnemer beheersen, verplicht is de zekerheidsgever van de opgetreden veranderingen (met bekwame spoed) op de hoogte te brengen (zie art. 6:248 en 6:2 BW).
Daarbij dient te worden aangetekend dat een dergelijke verplichting de zekerheidsnemer slechts in zoverre kan beschermen, dat het niet nakomen van deze verplichting in beginsel een schadevergoedingsvordering oplevert wegens tekortkoming in de nakoming of onrechtmatige daad en hieraan geen goederenrechtelijke gevolgen zijn verbonden.4 Bij vuistpandrechten is het daarentegen nodig dat de pandhouder de pandgever van de veranderingen op de hoogte brengt en deze laatste eventueel zijn verzekeraar in kan lichten. Een geval waarin een openbaar verpande zaak wordt vervangen door een vordering zonder dat de pandhouder hiervan op de hoogte is, zal zich in beginsel niet snel voordoen.
Aangenomen dat de zekerheidsnemer op de hoogte is van het hem op grond van art. 3:229 BW toekomende vervangende pandrecht, dient de vraag zich aan wanneer hij bevoegd is aan de schuldenaar van de verpande vordering mededeling te doen van het pandrecht. Zeker bij openbare pandrechten en hypotheekrechten, moet worden aangenomen dat deze bevoegdheid in beginsel onmiddellijk ontstaat. De zekerheidsnemer had ten aanzien van het oorspronkelijke object een voor derden kenbare positie, waardoor deze rechten ook van maximale derdenwerking waren voorzien. Het vervangende pandrecht is tot de mededeling een recht vergelijkbaar met de rechten gevestigd overeenkomstig art. 3:239 BW, waardoor de pandhouder het risico loopt dat op grond van art. 3:246 lid 1 BW bevrijdend aan de pandgever wordt voldaan. De zekerheidsnemer moet bij vuistpandrechten, hypotheek en openbare pandrechten de mogelijkheid hebben het van rechtswege verkregen vervangende recht zo snel mogelijk dezelfde kracht te geven als het oorspronkelijke recht. Hij is mijns inziens direct bevoegd tot het doen van mededeling aan de schuldenaar, zodat hij op grond van art. 3:246 lid 1 BW inningsbevoegd wordt en zijn pandrecht ook na nakoming op grond van art. 3:246 lid 5 BW kan voortzetten, indien hij nog niet tot verhaal op het zekerheidsobject bevoegd is.5
Bij een vuistloos pandrecht op roerende zaken kan op basis van een vergelijkbare redenering tot dezelfde conclusie worden gekomen. Dit pandrecht is weliswaar niet kenbaar voor derden, maar het is, zeker wanneer het gaat om duurzame goederen zoals productiemiddelen, minder kwetsbaar dan stille pandrechten op vorderingen op naam. Uitsluitend bescherming van derden te goeder trouw aan wie een bezwaarde zaak wordt vervreemd, kan het van zaaksgevolg voorziene recht teniet doen gaan. In dit kader is het wenselijk de zekerheidsnemer bij vervanging van het object door een vordering op naam in beginsel ook direct toe te staan om tot mededeling van het vervangende pandrecht over te gaan. Het risico dat de vordering aan de pandgever wordt voldaan en hierdoor tenietgaat, is groter dan het risico dat men bij vestiging van het oorspronkelijke pandrecht heeft aanvaard, waardoor overeenkomstige toepassing van art. 3:237 lid 3 BW niet voor de hand ligt. Bij vuistloze pandrechten op voorraden ligt het daarentegen eerder voor de hand aan te sluiten bij de regels met betrekking tot het stille pandrecht, daar het oorspronkelijke recht ook met risico's was omgeven. Partijen kunnen uiteraard anders overeenkomen.
Ook wanneer het oorspronkelijke pandrecht rust op een vordering op naam en dit niet is meegedeeld aan de schuldenaar, kan art. 3:229 BW in uitzonderlijke gevallen van toepassing zijn. Een voorbeeld geeft het geval waarin de schuldenaar failliet gaat en de pandgever tegen deze omstandigheid is verzekerd. Hier dient naar mijn mening een van het voorgaande afwijkend antwoord te worden geven op de vraag wanneer de pandgever van het vervangende recht mededeling mag doen. Nu het ene stille pandrecht wordt vervangen door het andere, is het aannemelijk hier de afspraken die tussen pandgever en -houder ten opzichte van het oorspronkelijke goed zijn gemaakt en de aanvullende wettelijke regeling van art. 3:239 lid 3 BW, ook toe te passen op het vervangende pandrecht. De pandhouder mag in dit geval pas tot mededeling aan de schuldenaar van de verpande vordering overgaan, indien de pandgever of de schuldenaar van de gezekerde vordering in zijn verplichtingen tekortschiet, de zekerheidsnemer goede grond geeft om te vrezen dat in deze verplichtingen tekort zal worden geschoten of aan andere overeengekomen eisen is voldaan.