Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/5.2.2
5.2.2 Eendaadse samenloop
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270220:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kelk 2012, p. 88.
Smidt 1891, p. 477.
Smidt 1891, p. 478.
Smidt 1891, p. 479.
HR 11 april 1927, NJ 1927, p. 585. Een duidelijk voorbeeld: rijden zonder rijbewijs en onder ‘invloed’. Eén feit.
Kelk 2012, p. 91.
HR 15 februari 1932, ECLI:NL:HR:1932:BG9438, NJ 1932/289 (Oude Kijk in het Jatstraat), onderdeel c.
De Hullu (2018, p. 532) schrijft bijvoorbeeld dat van een feitelijke fysieke toetsing de aandacht naar een juridische toetsing is verlegd.
Kelk 2012, p. 91.
Kelk 2012, p. 91.
Conclusie A-G Bleichrodt van 10 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:24, § 25. Daarbij gaat het om een abstracte toetsing die de Hoge Raad zelf kan uitvoeren. Ook daarmee wordt geïllustreerd hoe ver de uitleg van het feitsbegrip verwijderd is geraakt van de feitelijke invulling die daaraan in de wetsgeschiedenis is gegeven.
Conclusie A-G Bleichrodt van 10 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:24, § 22.
HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1014, NJ 1998/609.
Noot ’t Hart bij HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0697, NJ 1997/665.
De Hullu 2018 p. 534.
Conclusie A-G Bleichrodt van 10 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:24, § 22.
Mevis annoteerde de bedoelde uitspraken en maakt de volgende indeling. De eerste vijf arresten van 20 juni 2017 bevatten een woordelijk gelijke, uitvoerige, en aan de beoordeling van het betreffende middel voorafgaande beschouwing (HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 t/m 1115, NJ 2019/111 t/m NJ 2019/115). Dan volgt een arrest van 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831, NJ 2019/116. Daarin worden de algemene beschouwingen nog eens samengevat. Tot slot is er nog het arrest van 3 juli 2018, ECLI:NL:HR2018:1068, BNB 2000/337, waarin weer naar de samenvatting wordt verwezen.
HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111 r.o. 2.8. In r.o. 2.9 wordt nog aangegeven dat aangeduide ruimte voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling mede steun vindt in het vooral met art. 55, eerste lid, WvSr verwante art. 68 WvSr dat ook dubbele bestraffing wil voorkomen. Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit' - naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte - de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.
HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, r.o. 2.4.
Noot Mevis bij HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111, onderdeel 6. In geval van een cumulatieve bewezenverklaring moet de feitenrechter in wat meer gevallen ambtshalve een wat scherper ook hebben voor de vraag of (toch) niet sprake is van eendaadse samenloop of voortgezette handeling.
Noot Mevis bij HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111, onderdeel 8.
Noot Mevis bij HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111, onderdeel 9.
Noot Mevis bij HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111, onderdeel 3.
HR 21 november 1961, ECLI:NL:HR:1961:1, NJ 1962/89 (Emmense bromfietser).
Noot Mevis bij HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111, onderdeel 5.
De regeling omtrent eendaadse samenloop is te vinden in art. 55 lid 1 WvSr:
"Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld."1
Kort gezegd heeft de wetgever bij eendaadse samenloop gekozen voor een stelsel van absorptie: de minder zware strafbepaling wordt als het ware opgeslokt door de zwaardere.2 De regeling ziet dus op de vraag welke strafmaat van toepassing is, in geval van gelijktijdige vervolging en bestraffing van eenzelfde feit. In geval van eendaadse samenloop valt één feit onder enkele strafbepalingen, of, zoals Modderman stelde, is van eendaadse samenloop sprake:
“wanneer hetzelfde feit meer dan één zelfstandig vergrijp oplevert, of (toevoeging CH) wanneer een strafbaar feit door de omstandigheden, waaronder het gepleegd wordt of waarvan het vergezeld gaat, in een bepaald geval tevens een ander strafbaar feit oplevert.”3
Minister Modderman gaf ten tijde van de introductie van de bepaling het voorbeeld van een verkrachting, waarbij altijd tevens sprake zou zijn van schennis van de eerbaarheid.4 De nadruk lag hierbij op de gedraging. Niet mooier dan middels de volgende woorden kan eendaadse samenloop worden getypeerd: “wanneer men met het ligchamelijk oog eene éénheid ziet en met het oog des geestes een pluraliteit.”5
Binnen het leerstuk van de eendaadse samenloop staat het ‘hetzelfde feit’-begrip centraal. Over de vraag wat moet worden verstaan onder één feit is dan ook veel rechtspraak voorhanden, die net zo ver terug gaat als bovenomschreven wetsgeschiedenis.
Uit een arrest van de Hoge Raad van 11 april 1927 bleek dat bij de invulling van het feitbegrip de nadruk werd gelegd op de fysieke eenheid die zich manifesteert door eenheid van tijd, plaats en handeling. De Hoge Raad zag in een feit:
“de materiële gedraging, uiterlijk waarneembare daad, daarbij de menselijke gedragingen uit het complexe gebeuren accentuerend en vereenzelvigend met de lichamelijke gedraging, zonder veel acht te slaan op de verschillende psychische gesteldheden welke dat gedrag begeleidden, noch op de verschillende objectieve omstandigheden en op de uiteenlopende gevolgen.”6
Deze zienswijze paste in de oude dogmatiek, zo beschrijft Kelk, waarin als criterium voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid de gewilde spierbeweging werd gebruikt.7
De nadruk op de fysieke eenheid heeft niet lang gegolden. Toen een automobilist vervolgd werd wegens rijden zonder licht en rijden onder invloed van alcohol, week de Hoge Raad af van de door dan toe door hem bevaren koers. In deze zaak van 15 februari 1932 luidde het oordeel:
“dat deze twee feiten geheel los van elkander kunnen worden gedacht en elk feit op zichzelf een zelfstandige overtreding van verschillend karakter oplevert, zoodat, al kunnen zij zich, gedurende een zeker tijdsverloop, zeer gemakkelijk ten aanzien van eenzelfden dader gelijktijdig voordoen, die gelijktijdigheid niet iets wezenlijks is, het eene feit niet als ’t ware in het andere opgaat en het eene feit dan ook niet kan worden beschouwd als een omstandigheid, waaronder het andere feit zich voordoet; dat bij een dergelijk complex van feiten het ook zeer goed mogelijk is, dat op een bepaald oogenblik het eerste feit, onafhankelijk van het tweede en op een ander oogenblik het tweede feit onafhankelijk van het eerste wordt geconstateerd.”8
Kortom: dat beide feiten zich gelijktijdig voordeden, werd niet doorslaggevend geacht voor de vraag of sprake was van hetzelfde feit. In de literatuur wordt ook wel geschreven dat met dit bekende arrest afstand werd gedaan van de louter fysieke invulling van het begrip feit.9 De Hoge Raad nam hier twee feiten aan, met als belangrijkste argumenten dat deze twee feiten geheel los van elkaar kunnen worden gedacht en dat elk feit op zichzelf een zelfstandig vergrijp van verschillend karakter oplevert.10
Sinds het arrest van 15 februari 1932 werd aangenomen dat niet de fysiek waarneembare gedraging (tijd/plaats/handeling) centraal stond, maar de strafrechtelijk relevante betekenis van het bewezenverklaarde. Naar het voorbeeld van Kelk werd, om het aantal feiten vast te stellen, voordien gevraagd: “Wat deed verdachte toen hij zich in verschillende opzichten misdroeg?” En na 1932 vroeg men: “Welke, voor het strafrecht van belang zijnde gedragingen worden de verdachte verweten; hoeveel uit strafrechtelijk oogpunt geheel verschillende gedragingen zijn er?”11 Bleichrodt vat de hierboven omschreven ontwikkeling als volgt samen:
“De beoordeling of sprake is van eenzelfde feit is in hoge mate juridisch en zij kent een zeker abstractieniveau. Waar voor 1932 vooral werd gekeken naar de concrete feitelijke constellatie, wordt sinds dat jaar – ondanks kritiek – door de Hoge Raad betekenis gehecht aan de strekking van de in het geding zijnde strafbepalingen.”12
Deze draai van de Hoge Raad heeft met andere woorden geleid tot de acceptatie en toepassing van de zogenoemde aspectenleer. Hoewel duidelijk was dat het gevolg van de koerswijziging was dat de reikwijdte van de eendaadse samenloopbepaling beperkt werd, was niet geheel duidelijk hoe het nieuwe criterium van de strafrechtelijke betekenis nu precies moest worden ingevuld, zo vat Bleichrodt achteraf samen.13 Volgens Hazewinkel-Suringa moest de nadruk liggen op het geschonden rechtsbelang of op de strekking van de toepasselijke strafbepalingen. Uit latere rechtspraak bleek inderdaad dat de strekking van de toepasselijke strafbepalingen doorslaggevend was.14
De ommezwaai van de Hoge Raad kon zich niet aan kritiek onttrekken. ‘T Hart merkte in een noot op dat het leerstuk van de eendaadse samenloop vrijwel geen betekenis meer heeft, waardoor een ongewenste cumulatie aan strafrechtelijke aansprakelijkheden kon ontstaan.15 De Hullu vroeg zich af of met de nieuwe invulling van het feitbegrip nog voldoende recht werd gedaan aan het feitelijke aspect van eendaadse samenloop en of de bedoeling van de wetgever met de regeling – het voorkomen van dubbele bestraffing wegens hetzelfde feit – met de nieuwe interpretatie van het feitbegrip nog wel voldoende uit de verf kwam. Bepleit zou volgens hem kunnen worden meer ruimte te laten voor een feitelijke toetsing, zodat eendaadse samenloop ook kan worden aangenomen wanneer de strekkingen van betrokken strafbepalingen enigszins uiteenlopen. Op die manier zou beter recht kunnen worden gedaan aan het doel onbillijk zware bestraffing te voorkomen.16 Bleichrodt meent in navolging van Pompe dat het tot het uiterste doorvoeren van de benadering waarin de strafrechtelijke betekenis leidend is voor het vaststellen of sprake is van één feit ertoe zou leiden dat het begrip ‘feit’ wordt vereenzelvigd met het begrip ‘strafbaar feit’, waarmee de leer van de eendaadse samenloop haar betekenis verliest. Deze is immers juist in het leven geroepen voor gevallen waarin één feit meer dan één strafbaar feit oplevert.17
In een viertal arresten, waarbij A-G Bleichrodt in zijn conclusie is gevolgd,18 heeft de Hoge Raad op 20 juni 2017 benadrukt dat de samenloopregeling – en dan in het bijzonder de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling (zie paragraaf 5.2.3.) – daadwerkelijk voldoende ruimte moet bieden om ongewenste samenloop te voorkomen.
Naar huidig inzicht staat een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling. In het bijzonder verdient aandacht dat de rechter ruimte heeft voor het aannemen van eendaadse samenloop (of voortgezette handeling), ook indien de bewezenverklaring valt onder verschillende strafbepalingen met een enigszins uiteenlopende strekking. Vervolgens komt het, volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 20 juni 2017, voor de eendaadse samenloop vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.19 Opgemerkt wordt ook nog dat de wijze van inrichting van de tenlastelegging de rechter niet van een sterke(re) toepassing van de leerstukken moet weerhouden.20
Mevis spreekt over een aansporing aan de feitenrechter en over diens hoofd heen aan het OM.21 De feitenrechter moet zelf uitmaken waar de grens ligt tussen een enigszins overeenkomende strekking en een te groot verschil in strekking in de toepasselijke strafbepalingen. Hij merkt verder op dat in de genoemde arresten bij het relativeren van ‘het verschil in strekking’ van de strafrechtelijke bepalingen met name iets meer geabstraheerd wordt van het hele concrete rechtsgoed dat met een specifieke delictsomschrijving wordt beschermd.22 Voor wat betreft de bewoordingen voor hetzelfde feit, gebruikt de Hoge Raad immers de woorden ‘sterk samenhangende feiten’ (r.o. 2.1.), ‘in essentie hetzelfde feitencomplex’ (r.o. 2.8.) en ‘voor wat in wezen één strafrechtelijk relevant verwijt oplevert (r.o. 2.8.), aldus Mevis.23
Mevis schrijft van ‘het opnieuw accentueren van een correctiemogelijkheid binnen het leerstuk van de samenloop’.24 Volgens hem is het niet de eerste keer dat de Hoge Raad zijn eigen jurisprudentie (die vanaf 1932 de nadruk legde op de juridische component) corrigeert door middel van een accentverschuiving in de verhouding van beide bestanddelen (minder nadruk op de juridische component van de strekking van de gedragingen en meer nadruk op de samenhang in de begane feiten). Zo beschrijft hij dat de Hoge Raad reeds in 1961 de mogelijkheid van een ‘correctie’ opende.25 Zie hiervoor paragraaf 5.2.6. over art. 68 WvSr.26 Hij lijkt de koers van de Hoge Raad wel te begrijpen:
“De boodschap aan de feitenrechter is daarbij duidelijk (…). Bredere toepassing van eendaadse samenloop en voortgezette handeling ter voorkoming van ‘onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende feiten (…) is best wel eens wat vaker gewenst in gevallen waarin die leerstukken aan de orde zijn.”27