Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.6.1
3.6.1 Samenloop met andere kwalitatieve aansprakelijkheden binnen afd. 6.3.2 BW dan art. 6:173, 174 en 179
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301648:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de casus die leidde tot het Loretta-arrest, waarin de mogelijkheid leek te bestaan dat manege De Gulle Ruif zowel in hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:181 jo. 179 als in hoedanigheid van opdrachtgever ex art. 6:170 voor de schade van de 10-jarige Marloes aansprakelijk was. Dit laatste vanwege een mogelijke ‘fout’ van een personeelslid van de manege in het kader van haar taakvervulling (open laten staan van een deur van de binnenbak). Zie nader in eerste aanleg Rb. Den Bosch 22 september 2004, NJF 2004/604 (Paard Loretta).
Ook is denkbaar dat degene die ex art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 kwalitatief aansprakelijk is, op basis van een andere kwalitatieve aansprakelijkheid regres neemt op degene op wie geen aansprakelijkheid uit het systeem van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 (meer) rust. Gelet op art. 6:197 (Tijdelijke regeling verhaalsrechten) zal hiertoe enkel art. 6:170 in aanmerking kunnen komen.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 9. Zie ook Tjittes 1995, p. 274-282; Janssen 2007, p. 165-166. Denk buiten afd. 6.3.2 BW aan samenloop van art. 6:173 jo. 181 met de kwalitatieve aansprakelijkheid van de eigenaar of houder van een motorrijtuig ex art. 185 WVW. Sinds 2005 zijn motorrijtuigen onder de reikwijdte van art. 6:173 gebracht, zodat samenloop met art. 185 WVW zich kan voordoen in geval van een verkeersongeval veroorzaakt door een rijdend motorrijtuig terwijl de oorzaak mede is gelegen in een gebrek van dit voertuig.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 8
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-747; Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 8-9.
Vgl. ook Van Hoey Smith en Weterings 2010, p. 115-121 en 2011, p. 183-193. Anders is Van Velsen 2010, p. 448-450 en 2011, p. 208, die meent dat in geval van transport van een gevaarlijke stof door een leiding art. 6:175 lid 3 als lex specialis heeft te gelden ten opzichte van art. 6:174 lid 2.
Vermoedelijk art. 6:175, omdat de toepasselijkheid hiervan eenvoudiger is aan te tonen dan die ex art. 6:174 en ook de tenzij-clausule van art. 6:175 jo. 178 doorgaans minder ontsnappingsmogelijkheden biedt.
Op grond van bijvoorbeeld art. 6:175 lid 4 jo. lid 2 is sprake van samenloop wanneer de roerende zaak deels bestaat uit een gevaarlijke stof in de zin van art. 6:175, of wanneer zich in een roerende zaak een gevaarlijke stof bevindt.
Vgl. Jansen 2007, p. 174, 176.
Of een ‘bijzondere’ persoon waarvoor de bezitter inwisselbaar is.
Zo ook Bauw 2015, p. 108. Interessant is ook de vraag naar samenloop van afd. 6.3.3 BW en art. 6:175-177 lid 5. Zoals gebleken is alleen art. 6:173 jo. 181 ‘afgestemd’ op afd. 6.3.3 BW en is in geval van opstallen (6:174) en gevaarlijke stoffen (6:175) cumulatie met afd. 6.3.3 BW mogelijk. Afhankelijk van het schadeveroorzakende object (roerende zaak, opstal of gevaarlijke stof), zal afd. 6.3.3 BW ten opzichte van lid 5 van art. 6:175-177 dus exclusieve werking hebben dan wel cumulatief toepasselijk zijn.
Vgl. Jansen 2007, p. 178.
Problemen van samenloop kunnen zich in het bijzonder voordoen indien de voor toepassing in aanmerking komende rechtsregels in de relatie tussen dezelfde partijen verschillend uitwerken. Vgl. in geval van verjaring HR 15 juni 2007, NJ 2007/621, m.nt. Haak (Fernhout/Essent) inzake onrechtmatige daad (art. 3:301) en aanvaring (art. 8:1793), alsmede HR 21 april 2006, NJ 2006/272 (Inno Holding/Gemeente Sluis) inzake onrechtmatige daad (art. 3:310) en koop (art. 7:23 lid 2).
Dat binnen het systeem van art. 6:173, 174, 179 jo. 181 cumulatie van aansprakelijkheid van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker is uitgesloten, laat onverlet dat ter zake van hetzelfde schadefeit náást het toepasselijke art. 6:181andere kwalitatieve aansprakelijkheden uit afd. 6.3.2 BW dan die ex art. 6:173, 174 en 179 kunnen intreden. Deze ‘andere’ aansprakelijkheden kunnen op een ‘echte’ derde rusten, maar ook op de bedrijfsmatige gebruiker (of bezitter) zélf. Ook in dit verband kan zodoende onderscheid worden gemaakt tussen samenloop van rechtsregels betreffende de rechtsrelatie van verschillende en dezelfde partijen. Zo zullen op dezelfde persoon tegelijkertijd verschillende kwalitatieve aansprakelijkheden voor dezelfde schade kunnen rusten, zolang maar wordt voldaan aan het feitencomplex dat voor die verschillende aansprakelijkheden in afd. 6.3.2 BW is opgenomen. Denk aan schade op een manege aangericht door een paard. De manege kan daarvoor kwalitatief aansprakelijk zijn op grond van art. 6:179 jo. 181 vanwege het bedrijfsmatig gebruiken van dit dier én op grond van art. 6:170/171 in geval van een in verband met de schadeveroorzaking door een hulppersoon gemaakte fout.1 Binnen afd. 6.3.2 BW kan ter zake van hetzelfde schadefeit ook een verschillende aansprakelijkheid op verschillende personen rusten.2 Denk wederom aan een schadeveroorzakend paard op een manege, nu echter omdat een jong kind dit dier heeft opgehitst. Alsdan kunnen de aansprakelijkheid van de manege ex art. 6:179 jo. 181 én die van de ouders van het kind ex art. 6:169 (jo. 6:164) cumuleren. De aansprakelijken zijn in de verhouding tot de benadeelde ex art. 6:102 lid 1 hoofdelijk verbonden, terwijl hun onderlinge draagplicht zal afhangen van een contractuele regeling of, bij gebreke daarvan, van art. 6:10 en 6:101 jo. 102 lid 1.
In de parlementaire geschiedenis is nadrukkelijk onderkend dat met betrekking tot hetzelfde schadefeit binnen afd. 6.3.2 BW meerdere kwalitatieve aansprakelijkheden voor toepassing in aanmerking kunnen komen.3 De benadeelde kan steeds alle in aanmerking komende bepalingen aan zijn vordering ten grondslag leggen of kiezen voor de voor hem meest gunstige grondslag. Uiteraard krijgt hij zijn schade maar eenmaal vergoed.4 Zodoende is (ook) binnen afd. 6.3.2 BW cumulatie van rechtsregels het uitgangspunt. Anderzijds, de wetgever heeft voor bepaalde in afd. 6.3.2 BW geregelde gevallen de mogelijkheid van samenloop van kwalitatieve aansprakelijkheden van verschillende personen voorzien en onwenselijk geacht. Het gaat om gevallen op het terrein van de aansprakelijkheid voor zaken. Ingeval één schadefeit tegelijkertijd voldoet aan de voorwaarden van verschillende kwalitatieve aansprakelijkheden, is ernaar gestreefd daarmee toch zoveel mogelijk maar één persoon (exclusief) te belasten. Dit volgens de toelichting met het oog op ‘duidelijkheid’ voor zowel benadeelden (opspoorbaarheid) als potentieel aansprakelijken (verzekeringsaspecten).5 Zoals reeds gebleken, is de kanalisering van de aansprakelijkheid voor de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken naar de bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:181 hiervan een voornaam voorbeeld.6 Hiernaast is in afd. 6.3.2 BW nog een aantal andere vormen van kanalisering opgenomen, ter uitwerking van de gedachte om ter zake van dezelfde gebeurtenis de aansprakelijkheid steeds zoveel mogelijk bij één persoon te leggen.
Genoemd kunnen worden art. 6:174 lid 2 en 6:175 lid 3, die beide de leidingbeheerder als aansprakelijke aanwijzen. Indien een gevaarlijke stof wegens een gebrek in een leiding ‘ontsnapt’, kan zowel art. 6:174 als 175 van toepassing zijn.7 Benadeelden komt gelet op de cumulatie van rechtsregels een beroep toe op beide artikelen. Wel komt men via beide verschillende grondslagen bij dezelfde aansprakelijke persoon uit, de leidingbeheerder. Deze wordt aansprakelijk geacht voor zowel gebreken (6:174 lid 2) als gevaarlijke stoffen (art. 6:175 lid 3) in de leiding. De verschillende aansprakelijkheden uit art. 6:174 en 175 zijn voor wat betreft de aansprakelijke persoon dus op elkaar afgestemd. De benadeelde die de leidingbeheerder aanspreekt, kan kiezen voor de voor hem meest gunstige grondslag.8 Wel cumulatie van rechtsregels derhalve, maar een kanalisering van aansprakelijkheid naar één persoon. Dit is een ander systeem van kanalisering dan dat van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181: hier worden voor hetzelfde object met dezelfde materieelrechtelijke aansprakelijkheid, verschillende aansprakelijke personen aangewezen (bezitter en bedrijfsmatige gebruiker), waarbij de aansprakelijkheid steeds op de één óf ander wordt gelegd. Bij art. 6:174 lid 2 en 6:175 lid 3 gaat het om verschillende objecten (leiding vs. stof) waarvoor ook verschillende ‘inhoudelijke’ aansprakelijkheden gelden. De aansprakelijkheid wordt echter steeds naar één persoon gekanaliseerd door in deze verschillende gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid dezelfde persoon als aansprakelijke aan te wijzen (leidingbeheerder).
Een andere kanaliseringsmethode binnen afd. 6.3.2 BW betreft lid 5 van de art. 6:175-177. Hiermee zijn regels gegeven om samenloop van deze ‘milieuaansprakelijkheden’ zoveel mogelijk te voorkomen, zowel onderling als in relatie tot art. 6:173 en 174. Gaat het om samenloop van art. 6:173 of 174 met art. 6:175- 177,9 dan brengt lid 5 van art. 6:175-177 mee dat de benadeelde kan kiezen zijn vordering te baseren op art. 6:173 of 174 dan wel art. 6:175-177 – naargelang wat voor hem in het concrete geval de meest aantrekkelijke route is –, zolang de vordering maar is gericht tegen de ingevolge art. 6:175-177 aansprakelijke persoon.10 Dit betreft een kanalisering van aansprakelijkheid zónder exclusiviteit van de verschillende rechtsregels. Cumulatie van grondslagen blijft hier dus het uitgangspunt. Exclusieve aansprakelijkheid van een bepaalde persoon gaat dus niet altijd gepaard met exclusiviteit van een toepasselijk normstelsel.11 Het komt mij logisch voor dat wanneer het niet om samenloop met de bezitter ex art. 6:173/174 gaat,12 maar met de bedrijfsmatige gebruiker van een roerende zaak of opstal óók dan kanalisering van aansprakelijkheid plaatsvindt op grond van lid 5 van art. 6:175-177.13 Met andere woorden, wat voor de bezitter van een in art. 6:173/ 174 bedoelde zaak in relatie tot lid 5 van art. 6:175-177 geldt, geldt ook voor de bedrijfsmatige gebruiker van een dergelijke zaak. In die zin staat lid 5 van art. 6:175-177 ‘buiten’ het systeem van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179. In geval van samenloop van art. 6:175 (gevaarlijke stoffen) met art. 6:176 (stortplaatsen) of 6:177 (mijnbouwwerken) is in lid 5 van beide laatste artikelen bepaald dat de aansprakelijkheid wordt gekanaliseerd naar de exploitant van respectievelijk de stortplaats of het mijnbouwwerk. Ook voor deze kanaliseringsconstructies geldt dat zij niet gepaard gaan met exclusiviteit van de desbetreffende normstelsels.14
Zetten we de systematiek van lid 5 van art. 6:175-177 af tegen die van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181, dan ligt in het laatste stelsel aan de exclusieve aansprakelijkheid van de aangewezene (bezitter óf bedrijfsmatige gebruiker) steeds hetzelfde materiële normstelsel ten grondslag, te weten dat van art. 6:173, 174 en 179. Binnen het stelsel van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 is het daarom niet zo dat de benadeelde een keuze uit verschillende normstelsels toekomt zolang de vordering maar is gericht tot – in dit geval – de in art. 6:181 bedoelde bedrijfsmatige gebruiker.
Uit het vorenstaande blijkt dat de wetgever in afd. 6.3.2 BW verschillende kanaliseringstechnieken toepast om te bewerkstelligen dat ter zake van hetzelfde schadefeit zoveel mogelijk één persoon kwalitatief aansprakelijk is. Omdat niet álle door afd. 6.3.2 BW geregelde gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid door een kanaliseringsconstructie op elkaar zijn afgestemd, kunnen als gebleken heel wel voor dezelfde schade verschillende kwalitatieve aansprakelijkheden intreden. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat in geval van samenloop binnen afd. 6.3.2 BW normaliter geen samenloopproblemen ontstaan.15 Het gevolg van de diverse kwalitatieve aansprakelijkheden betreft immers eenzelfde verbintenis tot schadevergoeding beheerst door afd. 6.1.10 BW, terwijl ook de verjaring van de rechtsvordering tot vergoeding van de schade uniform is geregeld in art. 3:310.