Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.3.3.3
5.3.3.3 Individuele ontheffing
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS574027:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Krachtens het eerste lid van art. 43 van Verordening 1/2003 wordt Verordening 17 ingetrokken, met uitzondering van art. 8, lid 3, dat van toepassing blijft op beschikkingen die vóór de datum waarop deze verordening van toepassing wordt overeenkomstig art. 81, lid 3, van het Verdrag zijn aangenomen, tot de datum waarop die beschikkingen vervallen. In het derde lid van art. 8 is geregeld onder welke voorwaarden de Commissie haar beschikking (al dan niet met terugwerkende kracht) kan intrekken of wijzigen of de betrokkenen bepaalde handelingen kan verbieden.
Van den Bossche 1995, p. 1111.
HvJ EG 9 maart 1994, zaak C-188/92 (TWD Textilwerke Deggendorj9, Jur. 1994, p. 1-833, r.o. 17/18. Het arrest gaat over een beschikking tot het toelaten van steunmaatregelen.
Bij een individuele ontheffing ex artikel 81 lid 3 EG werd een overeenkomst die onder het kartelverbod van artikel 81 lid 1 EG viel, vrijgesteld. Onder de huidige Verordening 1/2003 kan op grond van artikel 10 Verordening 1/2003 bij beschikking worden vastgesteld dat artikel 81 EG niet van toepassing is omdat aan de voorwaarden van artikel 81 lid 3 EG is voldaan. De nationale rechter kon (en kan) in dit soort gevallen niet besluiten tot de nietigheid van rechtswege van de voor hem betwiste overeenkomst.1 Van den Bossche wijst op het feit dat gedurende lange tijd werd gesteld dat de nationale rechter wel de ongeldigheid van de ontheffingsbeschikking kon voorleggen aan het HvJ EG ex artikel 234 EG, ook na het verstrijken van de beroepstermijn van artikel 230 EG.2 In het arrest Deggendorf werd echter door het HvJ EG bepaald, dat het laten verlopen van de in artikel 234, derde alinea, EG gestelde fatale termijn, de mogelijkheid uitsluit voor de nationale rechterlijke instanties de wettigheid van een beschikking opnieuw in het geding te brengen.3 Anders zou de mogelijkheid worden gegeven om aan het onherroepelijke karakter dat de beschikking na het verstrijken van de beroepstermijn heeft, te ontkomen. De geldigheid van de ontheffingsbeschikking kon dus niet worden betwist voor de burgerlijke rechter, wanneer nagelaten was hiertegen, binnen de termijn van artikel 234 EG, een beroep tot nietigverklaring in te stellen voor het Gerecht van Eerste Aanleg. Hierbij dient wel de kanttekening te worden geplaatst dat het arrest van het HvJ EG in de zaak Deggendorf is gewezen in het kader van artikel 87 EG (steunmaatregelen). Voor wat betreft artikel 81 EG was niet uit te sluiten dat het HvJ EG tot een ander oordeel zou zijn gekomen.