Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.5.3
7.3.5.3 Aangewezen bewijsmiddelen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940509:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Koopman 1996, par. 4.3.5 lijkt een andere mening te zijn toegedaan (inhoudende dat schriftelijke bescheiden ook de enige toelaatbare bewijsmiddelen zijn).
Art. 3.123 Wet IB 2001. Zie ook HR 21 september 2007, BNB 2008/93.
Art. 12 UBOB.
HR 3 februari 2006, V-N 2006/9.8, BNB 2006/205.
Of en in hoeverre die kopieën geloofwaardig zijn, en of zij dezelfde bewijskracht hebben als de originelen, is een zaak van bewijswaardering. Die waardering is uiteindelijk voorbehouden aan de feitenrechter (zie daaromtrent paragraaf 7.3.9).
HR 16 mei 2008, V-N 2008/23.21.
HR 18 april 2003, V-N 2003/22.10.
Zie voor een fraai voorbeeld HR 6 februari 2004, BNB 2004/156.
HR 20 juni 2014, V-N 2014/31.19 (schriftelijke arbeidsovereenkomst en de toenmalige sectorpremie WW).
Zie onder meer r.o. 6 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 16 oktober 2020, V-N 2021/2.37.3 (art. 80a Wet RO) en Rb Den Haag 10 maart 2016, V-N 2016/36.2.2, r.o. 5.1.
Zie daarover nader paragraaf 7.3.9.3.
HR 22 oktober 2010, V-N 2010/54.18, BNB 2011/22, r.o. 3.5.2.
Dat dit geen dode letter is, moge blijken uit Hof Den Haag 16 januari 2015, V-N 2015/24.10.
HR 13 september 1989, BNB 1989/318, r.o. 4, HR 22 oktober 2010, V-N 2010/54.18, BNB 2011/22, r.o. 3.5.2.
In beginsel bestaan er in fiscalibus op grond van de vrije bewijsleer dus geen beperkingen ten aanzien van de aard van de toegestane bewijsmiddelen. Bij wijze van uitzondering komt in de fiscale wet- en regelgeving echter incidenteel een specifieke aanwijzing van verplicht te produceren bewijsmiddelen voor.
Het bekendste voorbeeld is wellicht dat van de giftenaftrek in de inkomstenbelasting. Periodieke giften moeten berusten op een notariële of onderhandse akte.1 Maar ook andere (niet-periodieke) giften worden slechts in aanmerking genomen ‘voorzover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd’.2 Dat betekent naar mijn mening nog niet dat andersoortige bewijsmiddelen nimmer tot het bewijs zouden kunnen bijdragen. Waar het om gaat, is dat de gedane giften in ieder geval met schriftelijke stukken moeten worden onderbouwd.3 Met andere woorden: er is sprake van een bewijsdrempel. Pas als die bewijsdrempel is gehaald (er zijn schriftelijke stukken), wordt de belastingplichtige toegelaten tot het aannemelijk maken van de giften in kwestie ter verkrijging van de aftrek. Daarvoor kan soms het schriftelijke bescheid al voldoende zijn, maar dat hoeft niet.
Andere voorbeelden van uitzonderingen op de hoofdregel, waarbij bepaalde bewijsmiddelen als bewijsdrempel worden aangewezen, zijn:
de regeling dat kosten voor verbetering of onderhoud van de eigen woning slechts in aanmerking worden genomen voor zover deze met schriftelijke bescheiden zijn te staven (is dat niet het geval, dan kan de daarmee samenhangende schuld niet als eigenwoningschuld worden aangemerkt);4
de regeling van de reisaftrek in de inkomstenbelasting: het kan hierbij gaan om een reisverklaring of om een openbaar-vervoerverklaring;5
de regeling voor de aftrek van uitgaven voor extra gezinshulp: deze uitgaven worden slechts in aanmerking genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen met daarop de naam en het adres van de gezinshulp;6
de regeling voor aftrek van de extra kosten van een dieet op medisch voorschrift: dat medisch voorschrift moet allerlei gegevens bevatten;7
de regeling dat de werkgever de lage premie voor de Werkloosheidswet is verschuldigd wanneer hij zijn werknemers voor onbepaalde tijd in dienst heeft: de betreffende arbeidsovereenkomsten moeten dan schriftelijk worden vastgelegd;8
de (optionele) regeling ter bepaling van de afschrijving voor de BPM van gebruikte auto’s aan de hand van een koerslijst of taxatierapport;9
de toepassing van het nultarief in de BTW bij grensoverschrijdend verkeer van goederen en diensten: de aanspraak op dit nultarief geldt slechts indien de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt.10
In al deze gevallen brengt de vrije bewijsleer mee, dat het stellen van nadere eisen aan de aard van de aldus benodigde bewijsmiddelen niet is toegestaan. Zo hoeft het niet verstrekken van originele bewijsstukken van betaalde (hypotheek)rente en kosten, geenszins fataal te zijn.11 Een zodanige door de inspecteur gestelde ‘extra’ eis vindt geen steun in het recht: alle schriftelijke middelen zijn immers geoorloofd, dus ook kopieën.12 Ook aan de boeken en bescheiden die voor de toepassing van het nultarief in de BTW zijn voorgeschreven, kunnen geen bijzondere eisen worden gesteld. Het gaat er slechts om dat die boeken en bescheiden er zijn en dat daaruit het vervoer naar een andere lidstaat volgt.13 Kopieën van facturen, vrachtbrieven, pakbonnen, betalingsbewijzen, stukken waarop voor ontvangst is getekend of schriftelijke verklaringen van de vervoerder gelden alle als ‘boeken en bescheiden’ in de hier bedoelde zin.14
Het oprekken van wettelijke bewijsdrempels is dus niet toegestaan.15 Daar staat tegenover dat de drempel als zodanig wel hard is. Zo heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het bewijsrechtelijke criterium van de (verplichte) schriftelijke vorm overeind blijft in gevallen waarin reeds vaststaat dat aan alle gestelde materiële voorwaarden is voldaan.16 Zonder de bewijsdrempel dus geen bewijs.
In de praktijk lijkt soms ten onrechte te worden aangenomen dat voor bepaalde aangelegenheden bewijsdrempels gelden, terwijl dat niet het geval is. Met enige regelmaat duikt in de feitenrechtspraak bijvoorbeeld de eis op dat aftrek van specifieke zorgkosten alleen mogelijk is als de uitgaven onderbouwd worden met schriftelijke stukken.17 Die eis wordt in algemene zin echter niet gesteld.18 Naar mijn inschatting wordt veelal bedoeld dat de rechter zonder ‘harde’ schriftelijke bewijzen niet aannemelijk acht dat aan de (overige) voorwaarden voor de aftrek is voldaan. Dat is een kwestie van bewijswaardering.19
Ten slotte merk ik nog op, dat de rittenregistratie in het kader van de bijtelling van de auto van de zaak niet een aangewezen bewijsmiddel in de hier bedoelde zin is.20 In de wettekst wordt weliswaar gesuggereerd dat het (tegen)bewijs kan worden geleverd aan de hand van een rittenregistratie,21 maar er staat duidelijk dat dit bewijs ook ‘anderszins’ kan worden geleverd.22 Het bewijs kan dus in ieder geval worden geleverd aan de hand van een rittenregistratie die aan de voorwaarden voldoet, zonder daarmee andere bewijsmiddelen op voorhand uit te sluiten. De rittenregistratie is geen bewijsdrempel. Er gelden zelfs helemaal geen bijzondere voorwaarden (zoals het bestaan van schriftelijke stukken): de belastingplichtige kan met elk bewijsmiddel, dus ook met eigen verklaringen, doen blijken dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt.23