De procesovereenkomst
Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/8.7.2:8.7.2 Belemmeringen op grond van de EEX-verordening?
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/8.7.2
8.7.2 Belemmeringen op grond van de EEX-verordening?
Documentgegevens:
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS383483:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HvJ EG 27 april 2004, NJ 2007,152, m.nt. P. Vlas (Turner/Grovit c.s.), r.o. 15-16.
HvJ EG 27 april 2004, NJ 2007,152, m.nt. P. Vlas (Turner/Grovit c.s.), m.n. r.o. 24-28.
HvJ EG 10 februari 2009, nr. C-185/07 (Allianz c.s./West Tankers).
HvJ EG 27 april 2004, NJ 2007,152, m.nt. P. Vlas (Turner/Grovit c.s.), r.o. 29.
Zie ook Kramer 2005, p. 135.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot de overeenkomst tot internationale forumkeuze en tot arbitrage roept de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie inzake de 'anti-suit injunc-tion de vraag op of de EEX-verordening in bepaalde omstandigheden niet aan het aannemen van verbintenissen van partijen in de weg staat. Het gaat daarbij om de vraag of de EEX-regeling belemmeringen opwerpt met betrekking tot overeenkomsten die zelf niet worden beheerst door de EEX, maar door het commune bevoegdheids-recht. De vraag of overeenkomsten tot forumkeuze die worden beheerst door de EEX-verordening obligatoire werking (kunnen) hebben, wordt beantwoord in paragraaf 8.8.
In het Verenigd Koninkrijk is het mogelijk dat de rechter een partij een verbod oplegt om in een ander land te procederen. Een dergelijke 'anti-suit injunction kan bijvoorbeeld worden opgelegd indien een partij in strijd met een overeenkomst tot forumkeuze of tot arbitrage een procedure in het buitenland aanhangig heeft gemaakt. Volgens de Court of Appeal van het Verenigd Koninkrijk gaat het daarbij niet om een oordeel over de bevoegdheid van de buitenlandse rechter, maar wordt geoordeeld over het gedrag van de betrokken partij.1 Zie nader over de 'anti-suit injunction paragraaf 11.3.3.
In het arrest Turner/Grovit c.s. heeft het Hof van Justitie zich uitgelaten over deze praktijk, waarbij het Hof oordeelde dat de 'anti-suit injunction onverenigbaar is met de EEX-regeling. Volgens het Hof is het Executieverdrag gegrond op wederzijds vertrouwen van de verdragsluitende staten in elkaars rechtssysteem en rechterlijke instanties. Dit beginsel brengt mee dat de bevoegdheid van een gerecht behoudens bijzondere omstandigheden niet door een gerecht van een andere verdragsluitende staat mag worden getoetst. Wanneer een gerecht een partij verbiedt om bij een buitenlands gerecht een vordering in te stellen of voort te zetten, vormt dit een inmenging in de rechtsmacht van het buitenlandse gerecht, hetgeen onverenigbaar is met het stelsel van het Executieverdrag.2 Deze uitspraak is in het arrest Allianz c.s./ West Tankers bevestigd voor het geval de 'anti-suit injunction gebaseerd is op het feit dat de buitenlandse procedure in strijd zou zijn met een overeenkomst tot arbitrage.3 Zie over deze rechtspraak van het Hof van Justitie uitgebreid paragraaf 11.3.5.
Een gerecht mag een partij dus niet een verbod opleggen om voor een gerecht van een andere lidstaat een procedure aanhangig te maken of voort te zetten. Uit deze uitspraak van het Hof van Justitie zou afgeleid kunnen worden dat partijen geen verbintenissen in het leven kunnen roepen om enkel voor een bepaald forum te procederen. Een veroordeling tot nakoming van een dergelijke verbintenis is immers in veel gevallen niet mogelijk omdat deze veroordeling in strijd komt met de EEX-regeling.
Op deze manier wordt echter een te ruime strekking aan de rechtspraak van het Hof van Justitie toegekend. Deze rechtspraak staat slechts in bepaalde gevallen aan de afdwinging van de verbintenis om voor een bepaald forum te procederen in de weg. In het arrest Turner/Grovit c.s. overweegt het Hof uitdrukkelijk dat de toepassing van regels van nationaal procesrecht geen afbreuk mag doen aan het nuttig effect van het EEX-Verdrag.4 Het Hof laat zich dus niet uit over de inhoud van het nationale recht, maar overweegt slechts dat de EEX mee kan brengen dat toepassing hiervan in bepaalde gevallen achterwege dient te blijven.5 Afdwinging van de verbintenis om niet voor een rechter van een andere lidstaat te procederen hoeft niet steeds afbreuk te doen aan het nuttig effect van de EEX-verordening. Dit is wel het geval indien hiermee een inmenging plaatsvindt in de rechtsmacht van een buitenlands gerecht. Indien een partij in strijd met een overeenkomst tot arbitrage in Nederland een procedure voor de Duitse overheidsrechter begint, is het dan ook aan de Duitse rechter om over deze overeenkomst te oordelen. Indien hij zich op grond van de overeenkomst echter onbevoegd verklaart, staat de EEX niet aan de conclusie in de weg dat de eisende partij een verbintenis heeft geschonden door in Duitsland te procederen en daarom schadevergoeding verschuldigd is.
De EEX-verordening staat er kortom niet aan in de weg dat partijen zich verbinden om enkel voor de gerechten van een bepaalde lidstaat of voor arbiters te procederen. Afdwinging van deze verbintenis zal slechts mogelijk zijn indien hierdoor geen inmenging plaatsvindt in de rechtsmacht van een andere lidstaat.