Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.2
4.3.2 Roerende zaken
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264546:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 3.147 (De Groot). Over de toepassing van pandgebruik op vorderingen, zie §4.3.5.
Zie §4.2.4.
Van Bijnkershoek, OT, nr. 3051; Pauw, OTN, nr. 187; Lokin, Jansen & Brandsma 1999, p. 95; Zwalve 2006, p. 391; Lokin 2007, p. 150-151; Pos 2008, p. 86-97.
Over de ontwikkeling van stille zekerheidsrechten in het Rooms-Hollandse recht, zie ook: Pos 1970; Pos 2008; Van Hoof 2015; De ruysscher & Kotlyar 2018; Van Hoof 2019a; Van Hoof 2019b.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 2.315; Lokin, Jansen & Brandsma 1999, p. 92; Van Hoof 2015, p. 121-124. Zie voorts §4.2.4 en §4.2.8.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 3.9 en 3.147.
Van Hoof 2015, p. 125-127.
De zekerheidsgerechtigde kon zijn recht van pandgebruik op roerende zaken vermoedelijk uitoefenen door deze zaken te gebruiken en de vruchten ervan te trekken of door ze te verhuren. Een recht van pandgebruik op roerende zaken ontstond op grond van een pandrecht of op grond van een zekerheidsoverdracht.
Bij geen van de Rooms-Hollandse juristen die ik voor dit proefschrift heb bestudeerd, komt de toepassing van het recht van pandgebruik op roerende zaken aan de orde. Wel was het recht van pandgebruik op roerende zaken onderwerp van verschillende adviezen en arresten. Een advies van De Groot betrof de uitoefening van een recht van pandgebruik op een rentebrief, een vordering aan toonder.1 Het recht van pandgebruik in dit advies was ontstaan via een zekerheidsoverdracht.2
De overige adviezen en arresten die betrekking hadden op het recht van pandgebruik op roerende zaken, betroffen de bevoegdheid tot verhuur van de pandhouder. Hij oefende deze bevoegdheid veelal uit door het onderpand terug te verhuren aan de schuldenaar, zodat de pandgever het onderpand kon gebruiken.3 Met deze constructie kwam feitelijk een stil pandrecht4 tot stand. Zoals uiteengezet in §4.2.8 kon de pandhouder het onderpand weliswaar verhuren, maar dan liep hij wel het risico zijn pandrecht te verliezen als de huurder het onderpand vervreemdde. Het pandrecht op roerende zaken had immers geen zaaksgevolg: mobilia non habent sequelam ex causa hypothecae.
De zekerheidsoverdracht bood de zekerheidsgerechtigde echter meer bescherming dan het pandrecht als hij het recht van pandgebruik uitoefende door verhuur. Anders dan bij het pandrecht op roerende zaken, was mobilia non habent sequelam niet van toepassing op zekerheidseigendom van roerende zaken. Zekerheidseigendom had zaaksgevolg. De zekerheidseigenaar liep dus geen risico zijn zekerheidsrecht op het onderpand te verliezen als hij het onderpand verhuurde en de huurder het onderpand vervreemdde.5
Afgezien van de goederenrechtelijke bescherming die de zekerheidseigenaar bij verhuur van het onderpand genoot, verschilde het recht van pandgebruik uit zekerheidsoverdracht niet van het recht van pandgebruik uit het pandrecht. Als een eigendomsoverdracht als doel had zekerheid te verstrekken aan de verkrijger, waren de regels van het pandgebruik van toepassing.6 Dit betekende dat de zekerheidseigenaar de bevoegdheid had om het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken of het onderpand te verhuren.
Als partijen een zekerheidsrecht tot stand wilden brengen op een roerende zaak, hadden zij dus de keuze uit het pandrecht en de zekerheidsoverdracht. Beide rechtsfiguren zijn in adviezen en jurisprudentie toegepast op roerende zaken. Of in de praktijk een voorkeur voor één van beide rechtsfiguren bestond, heb ik niet kunnen achterhalen. De keuze voor zekerheidsoverdracht of pandrecht zal vermoedelijk mede hebben afgehangen van de manier waarop de zekerheidsgerechtigde het recht van pandgebruik wilde uitoefenen. Wilde hij zelf het onderpand gebruiken of had hij een groot vertrouwen in de partij aan wie hij het onderpand wilde verhuren, dan volstond het pandrecht. Als de pandhouder het onderpand wilde verhuren en hij stelde weinig vertrouwen in zijn huurder, lag de zekerheidsoverdracht voor de hand.7