De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.2.1:4.2.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.2.1
4.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949376:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 31a van de Wpo, artikel 7.8 van de Wvo 2020, artikel 4.1a.1 van de Web en artikel 31a van de Wec.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de leraar wordt bedoeld diegene die zelfstandig of in teamverband onderwijs geeft in het primair, voortgezet, middelbaar beroeps- of hoger onderwijs. Zoals toegelicht in § 3.5 komt de leraar nauwelijks in de onderwijswetten voor, met uitzondering van de bepalingen over de zeggenschap van de leraar.1 Daaruit vloeit voort dat de leraar moet beschikken over voldoende vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische zeggenschap, waaronder ook wordt verstaan zeggenschap over onder meer de inhoud van de lesstof. Hierover maken de leraren afspraken met het bevoegd gezag in het professioneel statuut. Het is de vraag hoe dit zich verhoudt tot de inrichtingsvrijheid van het bevoegd gezag. In deze paragraaf wordt daarom in het algemeen geschetst wat het bevoegd gezag is en hoever zijn inrichtingsvrijheid strekt. Vervolgens wordt beschreven hoe deze vrijheid zich verhoudt tot de autonomie van de leraar.