De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.3.6:7.3.6 Tussenconclusie
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.3.6
7.3.6 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS383769:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De onderdelen 1 en 2 van artikel 273f lid 1 Sr zijn gebaseerd op het VN Protocol mensenhandel en uitgebreid naar aanleiding van de EU Richtlijn mensenhandel. De bepalingen zijn formeel bijna identiek aan de internationale regelgeving, en komen materieelrechtelijk in ieder geval overeen. Nederland komt met deze bepalingen dan ook zijn implementatieverplichting van internationale anti-mensenhandelregelgeving na. Materieelrechtelijk zou evenwel ook conform het protocol en de richtlijn worden gehandeld als Nederland enkel het eerste sublid zou handhaven en het tweede zou schrappen. Tegelijkertijd benadrukken de verschillende subleden dat kinderhandel aan een minder zware bewijslast onderhevig is dan de volwassen mensenhandel (er is bijvoorbeeld eerder sprake van misbruik waardoor (het oogmerk van) uitbuiting sneller aan de orde is) en is het onderscheid dan toch zinvol.
De overige subleden, 3, 2 en 5 en 6 tot en met 9 zijn niet noodzakelijk op basis van de internationale anti-mensenhandelregelgeving en kunnen uit dien hoofde worden verwijderd. De verwijdering van onderdeel 3 dient evenwel gepaard te gaan met ofwel de opzegging van het Vrouwenhandelverdrag van 1933 of door een hedendaagse interpretatie van het verdrag.