Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/7.2.3.4
7.2.3.4 De bevoegdheidsverdeling bij het bestaan van verschillende ondernemingsraden
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS383744:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 29 augustus 1985, NJ 1986/578 (Howson Algraphy); Hof Amsterdam (OK) 10 maart 1994, NJ 1995/374, JAR 1994/74, ROR 1994, 18 (Nering Bögel); Hof Amsterdam (OK) 23 oktober 1997, NJ 1998/612, JAR 1997/244 (Nedlin).
Hof Amsterdam (OK) 30 augustus 1984, NJ 1985/475 m.nt. Ma (Amfas); Hof Amsterdam (OK) 16 maart 2000, JAR 2000/80, JOR 2000/122 (Philips Lighting). Deze benadering wordt ook in de rechtspraak buiten de OK gehuldigd. Zie Ktr. Amsterdam 14 november 2011, JAR 2011/302 m.nt. Nekeman (Telegraaf Media Groep) en Rb. Almelo 28 juli 1995, ROR 1995, 23 (Coveco).
HR 7 oktober 1998, NJ 1999/778, JAR 1998/251, ROR2000, 4 (NS Reizigers).
Duk (2000), p. 61-62 meent dat Hoge Raad en OK in de NS Reizigers beschikking een doelredenering hanteren, omdat door het ‘construeren’ van een beginselbesluit voor de gehele groep overleg op groepsniveau mogelijk wordt gemaakt.
Art. 25 WOR maakt een onderscheid tussen een besluit en een niet voor beroep vatbare uitvoering van dit besluit. Inzake het advies over de uitvoering geeft de WOR geen dwingende voorschriften: de opschortingstermijn voorzien in art. 25 lid 6 WOR geldt niet en evenmin is art. 26 WOR betreffende de mogelijkheid van beroep van toepassing. Van een uitvoeringsbesluit is geen sprake indien het besluit feitelijk leidt tot een nieuw besluit als bedoeld in art. 25 lid 1 WOR. Dit zal doorgaans het geval zijn indien de ondernemer bij de uitvoering op het betreffende terrein nog beleidsvrijheid heeft (vgl. Hof Amsterdam (OK) 13 november 1980, NJ 1981/588 m.nt. Ma (Stichting Pensioenfonds II)).
Al in 1980 wees Maeijer op de mogelijkheid de centrale dan wel groepsondernemingsraad advies te vragen over het voorgenomen besluit op grond van art. 25 lid 1 WOR en de betrokken afzonderlijke ondernemingsraad over de uitvoering van het besluit op grond van art. 25 lid 5 WOR. Zie de annotatie van Maeijer bij de beschikking van het Hof Amsterdam (OK) 21 januari 1982 in NJ 1983/ 31. Meer recent over dit onderwerp Vink & Van het Kaar (2013), p. 266.
Bij een adviesplichtig besluit tot grensoverschrijdend fuseren kan discussie ontstaan over de vraag welke ondernemingsraad adviesrecht toekomt indien de Nederlandse deelnemende vennootschap een centrale ondernemingsraad en meerdere afzonderlijke ondernemingsraden heeft ingesteld. Indien de fuserende vennootschap deel uitmaakt van een concern zal aan het besluit tot fuseren vaak een instructiebesluit van de moeder ten grondslag liggen. Het instructiebesluit dat op concernniveau is voorgenomen (en waarover aan de centrale ondernemingsraad een adviesrecht kan toekomen) moet door de dochtervennootschap die fuseert worden uitgevoerd. Dat de ondernemingsraad van de dochter over dit laatste besluit een adviesrecht heeft (mits aan de criteria van art. 25 WOR lid 1 is voldaan), sluit aan bij de rechtspraak waarin het besluit op concernniveau wordt gezien als een aanwijzing aan het bestuur van de dochtervennootschap die over de uitvoering zelfstandig beslist.1
Gaat het om een enkelvoudige vennootschap dan zullen de effecten van de grensoverschrijdende fusie zich doorgaans voordoen ten opzichte van meerdere of alle ondernemingen die door de ondernemer in stand worden gehouden. Dan gaat het om een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en komt het adviesrecht de centrale ondernemingsraad toe. Dit is altijd het geval indien de Nederlandse vennootschap bij de fusie als de verdwijnende vennootschap optreedt. Het kan anders liggen indien de Nederlandse vennootschap bij de fusie als verkrijgende vennootschap optreedt. Zo is denkbaar dat de werkgelegenheidseffecten waarover de buitenlanduitzondering spreekt zich tegenover slechts één Nederlandse onder- neming manifesteren. De problematiek laat zich illustreren aan de hand van het volgende voorbeeld:
Een Nederlandse BV en een Duitse AG willen fuseren. De Nederlandse BV treedt bij de fusie op als de verkrijgende vennootschap. De Nederlandse BV houdt binnen Nederland vijf ondernemingen in stand. Vier van de vijf ondernemingen hebben een eigen ondernemingsraad. Daarnaast heeft de ondernemer een centrale ondernemingsraad ingesteld. De Duitse AG is van geringe omvang en binnen een ander marktsegment actief. Uit het fusievoorstel blijkt evenwel dat wordt nagedacht over de sluiting van één van de grotere ondernemingen van de Nederlandse BV. Dit laatste aspect stelt de buitenlanduitzondering buiten toepassing. Zowel de ondernemingsraad van de betreffende onderneming als de centrale ondernemingsraad claimt op grond van art. 25 lid 1 (b) WOR een adviesrecht.
De rechtspraak leert dat het feit dat het besluit zich slechts tot één onderneming richt (bijvoorbeeld de sluiting van een vestiging) niet betekent dat van een gemeenschappelijke aangelegenheid geen sprake kan zijn. Bepalend is of het besluit een onderwerp behelst dat betrekking heeft op de ondernemer (of het concern) in het geheel en in dat verband meerdere ondernemingen raakt.2 Nu de te verwachten werkgelegenheidseffecten op de betreffende onderneming deel uitmaken van het fusievoorstel als zodanig en de fusie alle ondernemingen omvat, meen ik dat in het bovengenoemde voorbeeld de adviesbevoegdheid bij de centrale ondernemingsraad ligt. Een aanvullend argument is te vinden in de tekst van de buitenlanduitzondering. De tekst maakt duidelijk dat voor het adviesrecht niet nodig is dat de gevolgen zich voordoen bij de Nederlandse onderneming waarvoor een ondernemingsraad is ingesteld. De gevolgen kunnen zich eveneens manifesteren bij een andere Nederlandse onderneming die door de ondernemer in stand wordt gehouden. In die lezing heeft niet alleen de ondernemingsraad van de onderneming waarin de effecten mogelijk optreden, maar hebben ook de drie overige ondernemingsraden een adviesrecht. Dit is een nadere indicatie dat sprake is van een gemeenschappelijk belang waardoor de bevoegdheden van de afzonderlijke ondernemingsraden van rechtswege overgaan op de centrale ondernemingsraad.
Het bovenstaande neemt niet weg dat eveneens aan de afzonderlijke ondernemingsraad adviesrecht kan toekomen. Denk aan de situatie dat het besluit door de ondernemer is voorgenomen en vervolgens intern – binnen een betreffende onderneming – wordt uitgevoerd. Dat speelt in het bovengenoemde voorbeeld. In de NS Reizigers beschikking uit 1998 oordeelde de Hoge Raad dat het wettelijke systeem ruimte laat voor advisering enerzijds door de centrale ondernemingsraad over aangelegenheden van gemeenschappelijk belang en advisering anderzijds door de afzonderlijke ondernemingsraad over de specifieke uitwerking van het besluit voor de afzonderlijke onderneming(en).3 In de NS Reizigers beschikking ging het om twee te onderscheiden besluiten.4 Daarvoor is vereist dat de ondernemer met betrekking tot de uitvoering van het besluit vrijheid van keuze toekomt. Is dat niet het geval, dan is sprake van een uitvoeringsbesluit in de zin van art. 25 lid 5 WOR.5 Ook dan kan ik mij voorstellen dat het onder omstandigheden mogelijk en wellicht wenselijk is de centrale ondernemingsraad advies te vragen over het voorgenomen besluit op grond van art. 25 lid 1 (met beroepsmogelijkheid) en vervolgens de betrokken afzonderlijke ondernemingsraad over de uitvoering van het besluit op grond van art. 25 lid 5 (zonder beroepsmogelijkheid).6