Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.2.3.1
I.3.2.3.1 Middeleeuwse 13e en 14e eeuw
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625516:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Over deze middeleeuwse periode Immel 1965, p. 19 e.v.; Zimmermann 1991, p. 17-18; Halding-Hoppenheit 2003, p. 17 e.v.
Immel 1965, p. 19.
Dikke van Dale 2005 omschrijft captatie als ‘een listige wijze om iemand een testament te laten maken waardoor men zelf bevoordeeld wordt, ten nadele van anderen.’
Immel 1965, p. 19 voetnoot 2 geeft aan dat captatorius de betekenis heeft van ‘ködernd’ dat wil zeggen ‘strikken of lokken met aas’.
Immel 1965, p 20. Zie ook Halding-Hoppenheit 2003, p. 18: ‘Die mittelalterliche Rechtswissenschaft aber dehnte den Begriff der captatorischen Verfügung auf alle letztwilligen Verfügungen aus, welche die Ergänzung durch den Willen eines Dritten notwendig machten.’
Zie over Wollens- en Willkürbedingungen in de 13e en 14e eeuw Immel 1965, p. 50 e.v.; Halding-Hoppenheit 2003, p. 20-21.
Immel 1965, p. 53.
Immel 1965, p. 53 en 56; Halding-Hoppenheit 2003, p. 20-21.
Immel 1965, p. 24.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 19.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 21.
Immel 1965, p. 23 e.v.; Zimmermann 1991, p. 17 e.v.; Halding-Hoppenheit 2003, p. 19 e.v.
Immel 1965, p. 30; Halding-Hoppenheit 2003, p. 20.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 20.
Rond de middeleeuwse 13e en 14e eeuw gold voor het testament nog geen vereiste dat van erflater een hoogstpersoonlijke wil verlangde.1 Maar toch kon er in deze periode niet volop worden gedelegeerd, omdat:
‘Die mittelalterlichen Rechtslehrer in Italien bezeichnen in ihren Schriften letztwillige Verfügungen, die zu ihrer Vollständigkeit und Endgültigkeit noch der Mitwirkung eines Dritten bedürfen, fast durchweg als ‘captatoriae’. Captatorisch ist nach römischen Recht eine letztwillige Verfügung, die den Bedachten begünstigt, damit dieser seinerseits den Testator bedenke, während es noch ungewiβ ist, ob dieser zu einer solchen Verfügung geneigt sein werde (curs. NB).’2
Voor de beoordeling van de geldigheid van uiterste wilsbeschikkingen werd het accent in feite gelegd op het gevaar van de door een Romeins senaatbesluit verboden captatie van erfenissen,3 in plaats van op erflaters (hoogstpersoonlijke) wil. Naar Romeins recht was captatie het instellen van iemand tot erfgenaam onder de voorwaarde door deze persoon ook zelf als erfgenaam te worden ingesteld. Deze manier van ‘jacht maken op erfenissen’ werd niet toegestaan.4 De middeleeuwse juristen volgden de Romeinen hierin, maar gaven evenwel aan het begrip captatie een ruimere uitleg:
‘Die mittelalterliche Rechtswissenschaft hat den Begriff der captatorischen Verfügung nicht nur in dieser begrenzten Bedeutung [de betekenis die het in het Romeinse recht had, toev. NB] verstanden, sondern ihn von Anfang an für alle letztwilligen Verfügungen verwendet, bei denen der Wille eines Dritten eine Rolle spielen sollte (curs. NB).’5
Beschikkingen waarvan de werking louter afhankelijk was van de wil van een derde (de zgn. Wollensbedingungen), waren dan ook niet toegestaan. Beschikkingen waarvan de werking afhankelijk was van een handeling van een derde (de zgn. Willkürbedingungen) genoten daarentegen toch wel werking. Het Romeinse recht werd hierin gevolgd.6 Bij de Middeleeuwse juristen kon echter wel al een loskoppeling van het formalisme worden bespeurd:
‘Bei dem Bemühen, einen sachlichen Unterschied als Begründung dafür zu finden, weshalb die Wollensbedingung die Verfügung unwirksam macht, die Willkürbedingung dagegen nicht, beginnt der Gedanke, daβ beide Bedingungen materiell das gleiche bedeuten können, in den Hintergrund zu treten (curs. NB).’7
Er werd gezocht naar een materieel onderscheid tussen beide Bedingungen. Dit onderscheid werd gevonden in het gegeven dat een Willkürbedingung een onzekere toekomstige gebeurtenis inhoudt, die de derde onafhankelijk van haar uitwerking op de uiterste wilsbeschikking kan verrichten. Een Willkürbedingung maakte erflaters wil anders gezegd niet afhankelijk van andermans wil. Erflaters wil werd in het geval van een Willkürbedingung dan ook als zelfstandig beschouwd.8
Voor de toelaatbaarheid van beschikkingen waarbij de wil van een derde de inhoud mede bepaalt, was het in beginsel niet toegestaan om dit aan een ander over te laten. Een dergelijke beschikking was immers captatorisch. Na verloop van tijd werd deze opvatting evenwel gematigd:9
‘Sowohl die Kommentatoren als auch die Kanonisten hielten es für zulässig, die Bestimmung des Erben einem Dritten dann zu überlassen, wenn der Erblasser dabei den Personenkreis der potenziell Bedachten hinreichend bestimmt bezeichnete (curs. NB)’10
En:
‘Hinsichtlich des Vermächtnisses galten die gleichen Grundsätze wie für die Erbeinsetzung, so dass die Auswahl des Vermächtnisnehmers aus einem bestimmten Personenkreis durch einen Dritten ebenso zulässig war, wie die Willkürbedingung (curs. NB).’11
Het bepaaldheidsvereiste was dus het beslissende criterium en dit vereiste kon soepel worden opgevat. In de bovenstaande citaten komt immers naar voren dat het mogelijk was om de erfgena(a)m(en) resp. legataris(sen) te laten aanwijzen door een ander, voorzover de erflater de groep waaruit de keuze kon worden gemaakt had afgebakend. In de 13e en 14e eeuw werd van erflater dus nog geen hoogstpersoonlijke wil verlangd.12
Toch kreeg de materielle Höchstpersönlichkeit in de zin van het huidige § 2065 BGB in deze periode een aanzet. Immel verwijst hiervoor met name naar de opvattingen van de Italiaanse jurist Baldus die, in de lijn van de scholastiek, op een hoogstpersoonlijk wil van erflater aanstuurde die ‘unvertauschbar, unersetzbar und unübertragbar’ is.13 Ondanks deze visie stond Baldus het overigens toch toe dat ten aanzien van de inhoud van het testament een derde de erfgenamen uit een afgebakende groep van personen kon aanwijzen, omdat de erfgenamen in dit geval door de erflater in voldoende mate zijn bepaald.14
Samenvattend kan worden opgemerkt dat in de 13e en 14e eeuw van de materielle Höchstpersönlichkeit in de zin van § 2065 BGB nog geen sprake was. Ondanks dat de eerste aanzet naar een hoogstpersoonlijke wil weliswaar kon worden geproefd, was dit destijds geen vereiste voor erflater om rechtsgeldig te kunnen testeren. Er werd immers niet gefocust op erflaters wil, maar op de zogenoemde captatorische Verfügung. Wilsbeschikkingen waarbij louter de wil van een derde een rol speelde, waren in beginsel ongeoorloofd. Niettemin werd het toegestaan om een derde de erfgenamen resp. legatarissen uit een door erflater afgebakende groep van personen aan te laten wijzen, omdat erflaters wil in dit geval in voldoende mate was bepaald. Evenals bij de Romeinen bleef het bepaaldheidsvereiste voor de vraag in hoeverre een derde de inhoud van het testament kon bepalen dus van belang.