Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.2.3.3
I.3.2.3.3 Het Duitse rechtsgevoel in de 19e eeuw
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624604:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met deze kritische blik was eerder niet gekeken omdat, in de woorden van Halding-Hoppenheit 2003, p. 25, ‘die mittelalterliche Rechtslehre das corpus iuris civilis und das corpus iuris canonici als Autoritäten mit einem unangreifbaren Wahrheitsgehalt begreift. Niemand unternahm den Versuch, die im corpus iuris civilis und im corpus iuris canonici wiedergegebenen Ergebnisse und Lehren zu kritisieren oder gar infrage zu stellen und eine eigene Ansicht herauszuarbeiten.’
Vgl. hiermee paragraaf 1.2.2.2 ‘Intermezzo: een delegatieverbod omwille van de testeervrijheid’.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 32. Zie ook Halding-Hoppenheit 2003, p. 32-33 voor de minderheidsopvatting die aansluiting zocht bij het canonieke recht evenals het Germaanse gewoonterecht en op grond daarvan wel ruimte bood voor erflater om ‘die Sorge für den Nachlass einem Dritten zu übertragen.’
Over Wollens- en Willkürbedingungen in de 19e eeuw Immel 1965, p. 107 e.v.; Halding-Hoppenheit 2003, p. 34-35 en p. 36-37.
‘Der Grundsatz der materiellen Höchstpersönlichkeit kam damit letztendlich nur in den Fällen zum Tragen, in denen die den Erblasserwillen ergänzende oder bestätigende Entscheidung des Dritten freie Willkür darstellte (curs. NB), aldus Halding-Hoppenheit 2003, p. 38. Het willekeurcriterium lijkt dus de scheidslijn te zijn. Vgl. Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771; Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 221; B. Schols 2007a, p. 433; Van Mourik 2008, nr. 46 en Van Mourik 2013, nr. 46; F. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 117; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 148. Zie voor het Duitse rechtsgevoel in de 19e eeuw uitgebreider Immel 1965, p. 101 e.v.; Zimmermann 1991, p. 19-20; Halding-Hoppenheit 2003, p. 31 e.v.
Zie ook mijn opmerking in noot 9 van dit hoofdstuk: ‘Een eigen studie naar de originele bronnen zal nagenoeg uitblijven, omdat zo’n rechtshistorische beschouwing het bestek van dit onderzoek te buiten gaat. Bovendien zou het onpraktisch zijn om het reeds door de Duitse collega’s uitgeplozen onderzoekswerk nog eens dunnetjes over te doen.’
Het opkomende liberalisme stelde in de 19e eeuw de vrijheid van het individu voorop en benadrukte daarmee ook de testeervrijheid. In hoofdstuk 1 kwam reeds naar voren dat de testeervrijheid onder andere wordt ingekleurd door de vrijheid om de inhoud, werking en voorwaarden van een uiterste wilsbeschikking naar eigen inzicht te bepalen (de testeervrijheid in materiële zin, zie paragraaf 1.2.2.1). Vanuit dit gezichtspunt bekeken, verrast het dan ook niet dat het beginsel van de materielle Höchstpersönlichkeit in de 19e eeuw, waarin de vrijheid van het individu hoogtij viert, aanzienlijk is versoepeld. Voor het eerst werden zin en doel van Romeinse teksten ter discussie gesteld en werd met een kritische blik naar oude rechtsbronnen gekeken.1 Een eigen visie ten aanzien van de toelaatbaarheid van wilsdelegatie kon worden gevormd. Aanvankelijk resulteerde dit overigens in een delegatieverbod. De heersende leer vond het namelijk ‘ongezond’ dat erflater van zijn testeerbevoegdheid afstand kon doen ten gunste van een derde en verlangde daarom een onafhankelijke en eigen wil.2 De materielle Höchstpersönlichkeit was met andere woorden geldigheidsvereiste om te kunnen testeren.3 Beschikkingen waarvan de werking afhankelijk was van louter andermans wil (Wollensbedingungen) waren op grond van dit vereiste dan ook ontoelaatbaar. Beschikkingen waarvan de werking afhankelijk was van een handeling van een derde (Willkürbedingungen) waren daarentegen, in lijn met de eerdere perioden, wel toegestaan.4 Het delegatieverbod werd evenwel voor wat de Drittbestimmung (inhoudelijke delegatie) betreft aanzienlijk afgezwakt, omdat er uitzonderingen op werden toegestaan. De praktische behoefte om te kunnen delegeren was kennelijk sterker dan de leer. Zo was het mogelijk om, net zoals tijdens de middeleeuwen en receptie, de erfgenamen resp. legatarissen uit een door erflater afgebakende groep van personen door een derde te laten aanwijzen. Het bepaaldheidsvereiste speelde dus ook in de 19e eeuw weer een rol. Eveneens was het toegestaan om het bepalen van de erfgenamen resp. legatarissen of het voorwerp van de verkrijging over te laten aan das Ermessen, het goeddunken, van een derde. Enkel een aanwijzing op grond van willekeur (daargelaten wat dit precies inhield) was onaanvaardbaar.5 De conclusie kan dan ook luiden dat het beginsel van de materielle Höchstpersönlichkeit in de 19e eeuw in feite niet in de weg stond aan een inhoudelijke wilsdelegatie. De scheidslijn voor de toelaatbaarheid van Drittbestimmung werd gegeven door willekeur en wederom door het bepaaldheidsvereiste.
In de jaren zeventig van de 19e eeuw werd een begin gemaakt met de ontwerpen voor het BGB. Zetten de ontwerpers de gevaren koers van de voorafgaande jaren voort of sloegen zij een ander pad in? De onderstaande bevindingen ontleen ik wederom aan de onderzoeken van Immel, Zimmermann en Halding-Hoppenheit.6 Voor het goede begrip van hun studies zal ik, evenals hiervoor, Immel, Zimmermann en Halding-Hoppenheit bij wijze van citaat meerdere malen zelf aan het woord laten.