Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.10.2
7.3.10.2 Bewijsgaring door de inspecteur in de beroepsfase?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940797:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 september 2003, BNB 2004/7.
Daaronder valt ook het nemen van een informatiebeschikking, zie HR 18 december 2015, V-N 2016/2.7, BNB 2016/49, r.o. 4.2 en Hof ’s-Hertogenbosch 15 april 2021, V-N 2021/32.16.
HR 10 februari 1988, BNB 1988/160, zie met name r.o. 4.5. Vgl. in dit verband ook art. 27a AWR.
Zie omtrent dit beginsel nader paragraaf 7.3.7.3.1 en paragraaf 12.3.4. Later bevestigd in HR 7 februari 2003, BNB 2003/127.
Zie daaromtrent nader paragraaf 11.2.5.1.
Vgl. ook HR 6 december 2000, BNB 2001/53 en De Blieck e.a. 2009, p. 117.
De wettelijke sancties op het niet-nakomen van de informatieverplichtingen jegens de inspecteur gelden immers niet, en evenmin schendt de belastingplichtige daarmee het procesrecht. Wel zou een weigering zijn geloofwaardigheid in de ogen van de rechter kunnen beïnvloeden.
HR 10 februari 1988, BNB 1988/160, r.o. 4.6. Zie paragraaf 7.3.7.3.3.
Zie paragraaf 7.3.7.3.2.
HR 23 september 1992, BNB 1992/387. Idem: HR 10 februari 1993, BNB 1993/138.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, V-N 2018/40.21. Dat laat onverlet dat wanneer de inspecteur nalaat om de betreffende derde erop te wijzen dat zijn medewerking niet verplicht is, zulks onrechtmatig kan zijn wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals het fair play-beginsel (aldus ook de Redactie van Vakstudie-Nieuws in de Aantekening).
De informatiebevoegdheden ex art. 47 en verder AWR bieden de inspecteur ruime mogelijkheden om bewijs te verzamelen. In de aanslagregelende fase en de bezwaarfase1 gelden deze bevoegdheden in beginsel onverkort. Dat is anders in de beroepsfase: nadat beroep is ingesteld, mag de inspecteur zijn bevoegdheden ex art. 47 en verder AWR jegens de belastingplichtige niet langer uitoefenen om bewijs te vergaren.2 Daarvoor treden dan de bevoegdheden van de rechter in de plaats.3
Deze beslissing leidde de Hoge Raad nadrukkelijk af uit algemene beginselen van procesrecht, waaronder de gelijkheid van partijen (‘equality of arms’).4 Van belang is dat de kern van het verbod om hangende beroep de ingrijpende bevoegdheden te blijven gebruiken, schuilt in het dwangmatige karakter ervan. Dat karakter maakt inbreuk op de algemene beginselen van procesrecht: de medewerking wordt immers door bedreiging met sancties afgedwongen.5 Het voorgaande betekent dat de inspecteur gerust mag proberen om op vrijwillige basis medewerking te krijgen van de belastingplichtige. Als de belastingplichtige die medewerking verleent, is het aldus verkregen bewijs niet onrechtmatig.6 Als de belastingplichtige medewerking weigert, is dat zonder risico.7 Daarnaast kan de inspecteur de rechter uiteraard vragen om van zijn (zelfstandige) onderzoeksbevoegdheden gebruik te maken.8 De rechter beslist daarover echter naar eigen inzicht.9
Derden kunnen gedurende de beroepsfase wél gewoon worden verplicht om mee te werken om informatie te verstrekken over de belastingpositie van degene die in beroep is gegaan. De Hoge Raad overwoog daaromtrent dat voor een beperking van dergelijke bevoegdheden geen goede grond bestaat, omdat door het uitoefenen ervan de bewijslastverdeling tussen partijen niet verandert.10 Ook het vragen om informatie aan derden, zonder dat zij verplicht zijn om medewerking te verlenen, is op zichzelf niet onrechtmatig.11