Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.4.3.2
VI.4.3.2 Collectieve besluitvorming
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242930:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie § V.7.1. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering. Ingevolge art. 2:129a/239a lid 3 BW kan bij of krachtens de statuten worden bepaald dat een of meer bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot zijn respectievelijk hun taak behoren. Op welke wijze de niet-uitvoerende bestuurders aan informatie behoren te komen wanneer bij of krachtens de statuten in een dergelijke bepaling is voorzien, bespreek ik in § VI.4.3.3.
Principe 2.4 van de Code. Zie voorts best practice bepaling 2.4.7 van de Code.
Zie in gelijke zin onder anderen Borrius 2012, p. 115; Croiset van Uchelen, TOP 2014/242; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; Honée 2006, p. 221; Van Ginneken 2017, p. 209; Seinstra, O&F 2008, afl. 4, p. 63; en Timmerman 2009, p. 26.
Aldus ook Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; Van Ginneken 2017, p. 209; Honée 2006, p. 221; Lennarts & Roest 2016, p. 129; Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 36-37; en Strik 2010, p. 126. Ook in de Engelse literatuur wordt opgemerkt dat er een informatieasymmetrie bestaat tussen de executives en non-executives, zie onder anderen Hellinx, Company Lawyer 2017, 38(1), p. 17-18; en Keay 2014, p. 224 en 258.
Aldus ook Borrius 2012, p. 114.
Idem onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 214; Borrius 2012, p. 114 en 120; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2017/63; en Schild & Timmerman, WPNR 2014/7011, p. 272. Net als Assink meen ik dat de grondslag voor deze ‘brengplicht’ kan worden gevonden in art. 2:8 lid 1 BW.
Evenzo Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91, die dit herhaalt in Dumoulin, Ondernemingsrecht 2017/63; en Van Ginneken 2017, p. 209.
Dumoulin, Ondernemingsrecht 2017/63.
Zie best practice bepaling 2.3.6 van de Code. Deze best practice bepaling heeft betrekking op de voorzitter van de raad van commissarissen, maar is volgens de toelichting op principe 5.1 van de Code eveneens van toepassing op de voorzitter in een one tier board. Zie over de rol van de voorzitter onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 53.1, p. 1207; Borrius 2012, p. 112; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; Kersten 2018, p. 33-34; Lennarts & Roest 2016, p. 129; en Timmerman 2009, p. 27. Ook in Engeland zorgt de voorzitter voor informatieverspreiding, zo volgt uit Principle F van de UK CGC 2018: “the chair (…) ensures that directors receive accurate, timely and clear information.”
In gelijke zin onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 214; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/91; en Schild & Timmerman, WPNR 2014/7011, p. 272.
Met Assink en Dumoulin meen ik dat deze ‘haalplicht’ haar grondslag vindt in art. 2:8 lid 1 BW. Zie Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 214; en Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/91.
Deze best practice bepaling heeft betrekking op commissarissen, maar is volgens de toelichting op principe 5.1 van de Code tevens van toepassing op de niet-uitvoerende bestuurders.
Re Westmid Packing Services Ltd [1998] 2 BCLC 646. Deze overweging van Lord Woolf MR is herhaald in Re Barings Plc (No 5) [1999] 1 BCLC 433.
Zie bijvoorbeeld Davies & Worthington 2016, p. 480-481; Hellinx, Company Lawyer 2017, 38(1), p. 18; Keay 2014, p. 223-226; en Worthington 2016, p. 380-382. Zie ook expliciet § 77 van de Engelse Guidance on Board Effectiveness 2018.
Evenzo onder anderen Van Olffen 2018, p. 152-153; en Timmerman 2009, p. 26.
Zie expliciet Pres. Rb. Roermond 28 maart 1985, KG 1985, 128 (Aarts/De Leur). Zie voorts onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/378-379; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; Handboek 2013/274, p. 585; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:141/251 BW, aant. 2.4; en Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:141/251 BW, aant. 1.
Van Olffen 2018, p. 148.
Zie best practice bepaling 2.4.8 van de Code.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/378. Zie Hof Amsterdam (OK) 28 maart 2018, ARO 2018/108 (Sliedrecht), voor een geval waarin een individuele commissaris zonder afstemming binnen de raad van commissarissen informatieverzoeken indiende.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/378. In gelijke zin Kleipool, Van Olffen & Roelvink 2017, p. 114.
Van Olffen 2018, p. 152.
Evenzo onder anderen Van Olffen 2018, p. 152-153; en Timmerman 2009, p. 26.
Vgl. Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2019/37.
Honée 2006, p. 221.
Op Aruba geldt een soortgelijke regeling. Zie art. 51 lid 3 LVBA. Ik breng in herinnering dat de SE-Vo tevens in een regeling omtrent de informatieverschaffing binnen het bestuur voorziet. Uit art. 44 lid 2 SE-Vo volgt dat ieder lid van het bestuursorgaan kennis moet kunnen nemen van alle aan dit orgaan verstrekte inlichtingen.
Evenzo onder anderen Borrius 2012, p. 114 en 120; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; en Lennarts & Roest 2016, p. 129.
Zie art. 22.4 van de statuten van Altice Europe NV d.d. 6 november 2019.
Zie art. 14.3 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017; en art. 23.6 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012.
Het uitgangspunt is dat bestuursbesluiten door de uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders tezamen worden genomen.1 Zoals ik in § VI.3.2 al schreef, resulteert het toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders in een stem voor of tegen het voorgenomen bestuursbesluit. Dit brengt mee dat de niet-uitvoerende bestuurders al over de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijke informatie behoren te beschikken vóórdat de bestuurlijke besluitvorming plaatsvindt.
Voor beursvennootschappen schrijft de Code voor dat het bestuur een goede en tijdige informatievoorziening opzet.2 De wijze waarop deze informatievoorziening vorm krijgt, verschilt in de praktijk per vennootschap. Denkbaar is dat de voor de vergadering benodigde informatie tijdig in een voor iedere bestuurder raadpleegbare databank wordt opgenomen.
Aangezien de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders op dezelfde informatievoorziening aangesloten zijn, ontvangen zij ter voorbereiding van de bestuursvergaderingen dezelfde stukken.3 Dit wil evenwel niet zeggen dat de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders beschikken over dezelfde informatie. Het ligt voor de hand dat een uitvoerend bestuurder beter geïnformeerd is dan een niet-uitvoerend bestuurder, aangezien eerstgenoemde op dagelijkse basis met de vennootschap bezig is. Hij weet dus simpelweg beter wat er gaande is dan een niet-uitvoerend bestuurder die doorgaans slechts een parttime aanstelling heeft.4 Hetzelfde geldt voor de niet-uitvoerende bestuurders die deel uitmaken van een commissie. Zij hebben over bepaalde onderwerpen meer kennis dan de niet-uitvoerende bestuurders die geen zitting hebben in die commissie.5
Zoals hiervoor vermeld, wordt de besluitvorming in de praktijk voorbereid door de taakbelaste bestuurders. Op hen rust mijns inziens de plicht informatie tijdig met het bestuur te delen.6 Hierdoor wordt de informatieasymmetrie gedeeltelijk, maar niet geheel opgeheven. Er vindt namelijk een selectie plaats van informatie die uiteindelijk naar het volledige bestuur gaat.7 Het is aan de taakbelaste bestuurder om te bepalen welke informatie hij met zijn collega’s deelt. “Dat is vanzelfsprekend niet alle informatie omdat zij anders door de bomen het bos niet meer zullen zien, terwijl zij elk ook hun eigen aandachtsgebieden hebben te verzorgen”, aldus Dumoulin.8 De voorzitter speelt hierbij een niet te onderschatten rol. Hij behoort erop toe te zien dat niet-uitvoerende bestuurders niet te veel, maar ook niet te weinig informatie ontvangen voor de vervulling van hun taken.9
Dat op de taakbelaste bestuurders een ‘brengplicht’ rust, betekent niet dat de niet-uitvoerende bestuurders volledig achterover kunnen leunen. De niet-uitvoerende bestuurders behoren er voor te zorgen dat zij over voldoende informatie beschikken. Is de niet-uitvoerende bestuurder van mening dat hij te weinig informatie heeft ontvangen voor een behoorlijke vervulling van zijn taak, dan is hij gehouden aanvullende informatie op te vragen en zo nodig zelf informatie te verzamelen.10 Zulks met het oog op de collectieve verantwoordelijkheid en – in het verlengde daarvan – aansprakelijkheid.11 Voor beursvennootschappen is deze ‘haalplicht’ uitdrukkelijk vastgelegd in de Code. Volgens best practice bepaling 2.4.8 van de Code heeft iedere niet-uitvoerende bestuurder een eigen verantwoordelijkheid om van zijn collega-bestuurders, de interne audit functie, de externe accountant en – indien aanwezig – het medezeggenschapsorgaan de informatie in te winnen die hij nodig heeft om zijn taak naar behoren te kunnen uitoefenen.12
Uit Re Westmid Packing Services Ltd (No 3) volgt dat ook op de Engelse bestuurders een ‘haalplicht’ rust: “Each individual director owes duties to the company to inform himself about its affairs and to join with his co-directors in supervising and controlling them.”13 Omdat de non-executive directors niet expliciet worden uitgesloten, wordt algemeen aangenomen dat deze ‘haalplicht’ ook voor hen geldt.14
Uit het voorgaande leid ik af dat de niet-uitvoerende bestuurders recht hebben op alle informatie die zij nodig hebben voor een behoorlijke vervulling van hun taak. Dit informatierecht rust niet alleen op de groep van niet-uitvoerende bestuurders, maar ook op individuele niet-uitvoerende bestuurders.15 Zij maken immers deel uit van het bestuursorgaan. Over het antwoord op de vraag of dit informatierecht eveneens toekomt aan individuele commissarissen, bestaat nochtans discussie.
Het uitgangspunt in de literatuur en de rechtspraak is dat het informatierecht van art. 2:141/251 lid 1 BW op de raad van commissarissen als college rust. Dit betekent dat individuele commissarissen daar geen rechten aan kunnen ontlenen.16 De laatste jaren is dit uitgangspunt aan erosie onderhevig. Zo acht Van Olffen het onjuist en onwenselijk dat het informatierecht slechts aan de raad van commissarissen als zodanig toekomt. Hij betoogt dat commissarissen steeds op individuele basis informatie zouden moeten kunnen opvragen bij het bestuur. Een voorwaarde is dan wel dat een bepaald proces in acht wordt genomen.17 Van Solinge en Nieuwe Weme zijn dezelfde opvatting toegedaan. Ter onderbouwing van hun standpunt wijzen zij op de hierboven genoemde bepaling uit de Code, waaruit volgt dat individuele commissarissen een eigen verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat de raad van commissarissen de benodigde informatie krijgt.18 Het is niet de bedoeling dat individuele commissarissen direct naar het bestuur stappen, aangezien dit kan leiden tot een inefficiënte en onordelijke gang van zaken.19 Is een individuele commissaris niet tevreden met de door het bestuur verschafte informatie, dan behoort hij dus eerst de voorzitter van de raad van commissarissen aan te sporen de benodigde informatie op te vragen. Lukt het hem niet de voorzitter te overtuigen, dan kan hij alsnog zelf tot actie over gaan.20
Hoe dit ook zij, voor vennootschappen met een monistisch bestuursmodel bestaat er geen aanleiding tot discussie over het antwoord op de vraag of een individuele niet-uitvoerende bestuurder een informatierecht heeft.21 Hij maakt deel uit van het bestuursorgaan en heeft aldus recht op alle informatie die nodig is voor een behoorlijke uitoefening van zijn taak.22 Er zal niettemin steeds een goede balans moeten worden gevonden tussen de ‘brengplicht’ van de uitvoerende bestuurders en de ‘haalplicht’ van de niet-uitvoerende bestuurders.23
Honée acht het ongelukkig dat Boek 2 BW niet in een wettelijke regeling omtrent het verschaffen van informatie door de uitvoerende bestuurders aan de niet-uitvoerende bestuurders voorziet. Hij raadt de wetgever aan een wettelijke regeling op te stellen.24 Aangesloten zou bijvoorbeeld kunnen worden bij de regeling die in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk vigeert. Art. 2:18 lid 7 BWC/BW-SM/BW-BES bepaalt dat het uitvoerend bestuur het algemeen bestuur en de individuele leden van het algemeen bestuur tijdig de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijke of met het oog daarop door de betrokkene verlangde gegevens verschaft.25
Ik vind het overbodig in een dergelijke regeling te voorzien. Dat de uitvoerende bestuurders de niet-uitvoerende bestuurders tijdig de voor de uitoefening van hun taak noodzakelijk informatie behoren te verschaffen, is een open deur. Als collectieve besluitvorming plaatsvindt, verschilt de wijze waarop de niet-uitvoerende bestuurders van informatie worden voorzien bovendien niet van de wijze waarop bestuurders van een ‘gewoon’ bestuur aan informatie behoren te komen. Voor dit laatste geval bevat Boek 2 BW evenmin een regeling. Indien gewenst, kunnen in de statuten of in het bestuursreglement afspraken worden gemaakt over de informatievoorziening.26
In de praktijk gebeurt dat ook. Zo bepalen de statuten van Altice Europe NV het volgende: “De uitvoerende bestuurders verschaffen tijdig aan de niet-uitvoerende bestuurders alle informatie die noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken.”27 Een soortgelijke regeling is te vinden in de statuten van Amsterdam Commodities NV en Unilever NV.28