Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.3.4:2.3.4 SER-advies inzake het enquêterecht
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.3.4
2.3.4 SER-advies inzake het enquêterecht
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS467948:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
30. De SER stemt in grote lijnen in met de voorstellen van de Commissie Verdam aangaande wijziging van het bestaande enquêterecht. In de raad bestaat echter tweespalt over het arsenaal voorzieningen dat is opgesomd in art. 54a rapport. De meerderheid van de SER meent dat dit artikel de Ondernemingskamer niet voldoende bevoegdheden geeft om te bereiken dat de gezonde verhoudingen worden hersteld. Zij is van oordeel dat de minst ingrijpende maatregel – schorsing of vernietiging van een besluit – ‘toch nog zodanig rigoreus is dat zij in bepaalde gevallen niet voor toepassing in aanmerking komt (bijvoorbeeld omdat aan het betrokken besluit reeds zover uitvoering is gegeven dat vernietiging ervan zou leiden tot gecompliceerde ongewenste gevolgen, die indruisen tegen de belangen van de onderneming zelf of van degenen die om een enquête vroegen of van derden-belanghebbenden die aan het besluit zekere rechten ontlenen)’. Van het door de Commissie Verdam voorgestelde art. 54b lid 2 – de Ondernemingskamer regelt zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen – wordt, hoewel het ziet op de onderhavige situatie1, weinig heil verwacht. De critici verwachten dat daarmee niet kan worden bereikt dat ‘een vernietiging zodanig wordt afgezwakt dat zij in wezen geen vernietiging meer is en een geheel andere, minder ver strekkende maatregel is geworden’. De aan het woord zijnde leden van de SER vrezen dan ook dat de Ondernemingskamer ‘in bepaalde gevallen voor de onbevredigende keuze kan komen te staan om of in het geheel geen maatregel te nemen hoewel er aan enige rechterlijke ingreep wel behoefte bestaat, of een te ingrijpende voorziening te bevelen’.2
31. De (meerderheid in de) SER komt met een alternatief voorstel.3Art. 54a zou als volgt dienen te worden uitgebreid, dat de Ondernemingskamer schorsing of vernietiging van een besluit achterwege kan laten en kan bepalen dat de vennootschap met betrekking tot de gevolgen van het besluit een nadere regeling dient te treffen met inachtneming van haar beschikking. Van deze mogelijkheid mag slechts gebruik worden gemaakt indien de Ondernemingskamer van oordeel is dat schorsing of vernietiging van een besluit – dat een duidelijke uiting is van wanbeleid en daarvoor derhalve in aanmerking komt – in het betrokken geval niet tot herstel van een gezonde toestand kan leiden. Het bevel kan een aanwijzing bevatten omtrent de strekking van de te treffen maatregel(en) om de ongewenste gevolgen van het besluit op het heffen. De Ondernemingskamer kan bijvoorbeeld, na te hebben vastgesteld welke (groepen van) personen door het besluit worden gedupeerd, bepalen welke gevolgen in het bijzonder door de onderneming moeten worden opgevangen. De raad denkt hierbij onder meer aan een tegemoetkoming in de schade van gedupeerde werknemers of van andere belanghebbenden, aan het herplaatsen van ontslagen werknemers op een andere afdeling of aan het alsnog treffen van een wachtgeldregeling. De Ondernemingskamer mag, zo voegt hij toe, uiteraard niet bepalen welke maatregelen de onderneming moet nemen: het concrete beleid van de onderneming mag niet door haar worden bepaald. De raad meent voorts dat het bevel versterkt moet kunnen worden met een dwangsom. Volgt de vennootschap het bevel toch niet op, dan kan de Ondernemingskamer op verzoek van de oorspronkelijk verzoekers alsnog overgaan tot het treffen van een of meer van de in art. 54a genoemde maatregelen, welke zij geboden acht.
32. Andere leden van de SER vrezen dat het gevaar groot is dat de Ondernemingskamer aldus op de stoel van de ondernemer gaat zitten. Het voorstel biedt haar in feite de mogelijkheid om, eventueel onbedoeld en ongemerkt, in te grijpen in het beleid van de onderneming, waardoor de beleidsvrijheid van de leiding wordt aangetast. Dit is onaanvaardbaar. De taak van de rechter dient te zijn beperkt tot een controle achteraf van de wijze waarop de leiding van haar beleidsvrijheid gebruik heeft gemaakt. Daar komt bij dat de Ondernemingskamer wellicht ook gevallen van minder gelukkig gevoerd beleid als wanbeleid zal aanmerken, teneinde daarop de voorgestelde ‘lichte’ voorziening toe te passen. Er is een minder ingrijpende oplossing voorhanden teneinde de nadelen van een integrale vernietiging te voorkomen. Art. 54a sub a kan aldus worden gewijzigd, dat daarin staat een ‘gehele of gedeeltelijke schorsing of vernietiging van een besluit (...)’. De Ondernemingskamer kan dan zelf nauwkeurig aangeven in welk opzicht een besluit en zijn gevolgen ongedaan moeten worden gemaakt respectievelijk in stand kunnen blijven. Ook kan zij in sommige gevallen de door de raad beoogde resultaten bereiken door het uitoefenen van pressie, bijvoorbeeld door de leiding van de onderneming een (gedeeltelijke) vernietiging van het besluit in het vooruitzicht te stellen. De minderheid stelt voor om aan het door de Commissie Verdam voorgestelde art. 54 een vierde lid toe te voegen: ‘De ondernemingskamer kan alvorens op het verzoek of de vordering [tot het treffen van een voorziening, FV] te beslissen de vennootschap in de gelegenheid stellen een besluit of een gedeelte van een besluit te wijzigen of de gevolgen van het besluit nader te regelen’.4