Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.3.1
2.3.1 Ontwikkelingen na 1928
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS464352:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de praktijk is vaak in de statuten aan het bestuur de bevoegdheid verleend om – eventueel in samenspraak met de RvC – tot reservering van (een gedeelte van) de winst te besluiten.
Vergelijk art. 49d uit het wetsontwerp van 1910 – ‘het bestuur is, voor zooverre zijne bevoegdheid niet door de akte van oprichting beperkt is, bevoegd de handelingen te verrichten, bedoeld bij art. 1833 lid 2 BW’ – en de toelichting daarop: ‘Lasthebber zijnde is de bestuurder aan de bepalingen van het [BW] omtrent lastgeving onderworpen. Hij zal dus o.a. eene uitdrukkelijke lastgeving behoeven om goederen der vennootschap te vervreemden en de andere rechtshandelingen te verrichten, bij het tweede lid (...) vermeld. Vermits zulks intusschen weinig zoude strooken met de eigenaardige verhouding des bestuurders tot de vennootschap, die vordert, dat de bestuurder in alle aangelegenheden, waarin zijne macht niet beperkt is, de vennootschap zal kunnen vertegenwoordigen, bepaalt het artikel (...), dat het bestuur niet onderworpen is aan [art. 1833 lid 2 BW], voorzoover althans de akte van oprichting zijne bevoegdheid niet heeft beperkt.’
Zie bijvoorbeeld Kamphuisen 1953.
Gedacht kan worden aan: prioriteitsaandelen die (middellijk) in handen zijn van de oligarchie, tussenschuiving van holdingcompanies en administratiekantoren waarvan de besturen dezelfde samenstelling hebben als die van de vennootschap en die niet-royeerbare certificaten uitgeven, stemrechtbeperkingen en stemrechtovereenkomsten, gekwalificeerde meerderheden, bindende voordrachtsrechten bij bestuurdersbenoemingen, enzovoort.
Vergelijk Dr. Wiardi Beckman Stichting 1959, p. 54: men zou kunnen zeggen dat de directie het dagelijks bestuur vormt, en de RvC het hoofdbestuur.
De erkenning van het bestaan van werknemers gaat gepaard met de introductie van begrippen als ‘democratisering’, ‘emancipatie’ en ‘belangenverbreding/-pluralisme’: Prof.mr. B.M. Telderstichting 1962, p. 68 e.v.
Van der Grinten 1952, p. 86.
Maeijer 1964, p. 6.
19. Hoewel de wetgever blijkens het bovenstaande reeds in 1928 het bestaan van verschillende typen vennootschappen erkende – kort gezegd familievennootschappen en zuivere kapitaalassociaties – zal hij niet hebben kunnen bevroeden welke ontwikkeling onze economie nadien zou doormaken. Deze ontwikkeling, die heeft geleid tot een enorme diversiteit aan ondernemingen, vindt haar oorsprong in de in het begin van de twintigste eeuw opkomende industrialisatie. Onder meer de nieuwe technologische mogelijkheden vergen grote investeringen. De oorspronkelijk veelal kleine (familie)vennootschappen beschikken over onvoldoende kapitaal om deze investeringen te bekostigen. Ook het reserveren van gemaakte winsten blijkt ontoereikend. De uiteindelijke oplossing is bekend: steeds meer NV’s gaan ‘de boer op’ om kapitaal aan te trekken.
20. Het groeien van de vennootschappen in de loop van de twintigste eeuw heeft verregaande consequenties voor de machtsverhoudingen binnen die vennootschappen. De voorheen hechte band tussen de aandeelhouders en bestuurders – de aandeelhouders vormden vaak zelf het bestuur – brokkelt gestaag af. Daarmee ontstaan ook steeds grotere verschillen in het beleid tussen de NV’s met een verschillende grootte. Bij de kleine NV blijft het beleid veelal ongewijzigd: het is gericht op het behalen van een zo groot mogelijke winst in een zo kort mogelijke tijd, die vervolgens ten goede komt aan de aandeelhouders. Bij de grote NV’s is dit anders: de groei vergt steeds nieuwe investeringen, investeringen die – met name in de periode na de Tweede Wereldoorlog – vooral worden bekostigd uit de behaalde winst.1
Bij deze vennootschappen ontstaat een nieuwe beleidslijn: gestreefd dient te worden naar continuïteit en uitbouw van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming(en). Het beleid op de lange termijn krijgt aldus prioriteit.
Met het steeds meer versnipperd raken van het aandelenkapitaal neemt de invloed van de AVA navenant af. Het bestuur van de grote NV gaat een welhaast onaantastbare positie innemen. Het gaat bestaan uit bekwame, professionele bestuurders die zich zoals gezegd voornamelijk richten op het beleid op de lange termijn. In het streven naar continuïteit neemt de versterking van hun eigen machtspositie echter geen onbelangrijke plaats in.
De ontwikkelingen hebben gevolgen voor de wijze waarop naar bestuurders wordt gekeken. Zij worden aan het begin van de twintigste eeuw nog gezien als lasthebbers van de vennootschap/de aandeelhouders.2 In de periode daarna wordt daarentegen zelfs gesproken van ‘een oligarchie binnen de NV’.3 Het geven van openheid van zaken en het afleggen van verantwoording verwordt tot een formaliteit waaraan niet teveel tijd en aandacht wordt besteed. De verhoudingen binnen de grote NV zijn inmiddels aldus dat de AVA – mocht de afgelegde verantwoording niet bevredigen – toch geen stappen kan ondernemen. Niet alleen heeft het bestuur een grote kennisvoorsprong op de aandeelhouders, ook de aanwezigheid van oligarchische regelingen en beschermingsconstructies4 maakt het nagenoeg onmogelijk in te grijpen in het bestuur. Deze tendens wordt versterkt door het grote aandeelhoudersabsenteïsme in algemene vergaderingen. Ook de eventuele aanwezigheid van een RvC baat de aandeelhouders nauwelijks: deze raad – oorspronkelijk bedoeld als een soort vertrouwensorgaan dan wel representant van de aandeelhouders – vormt vaak een verlengstuk van het bestuur.5
21. In de tweede helft van de twintigste eeuw groeit het besef dat de balans tussen bestuurders en (minderheids)aandeelhouders te ver is doorgeslagen ten koste van de laatste groep. Van verschillende zijden – onder meer de vakorganisaties, politieke partijen en in de literatuur – worden voorstellen gedaan tot verbetering. Bovendien kan alsdan meteen recht worden gedaan aan een ontwikkeling die zich vóórdien heeft voorgedaan in de – vooral ná de Tweede Wereldoorlog in een razend tempo veranderde – samenleving: de erkenning van de werknemers als (nieuwe) spelers in het ondernemingsrechtelijke veld. De werknemers – de groep die in vroegere tijden geen rol van betekenis speelde in de interne verhoudingen binnen de onderneming: zij moesten gewoon hun werk doen – hebben inmiddels een eigen gezicht gekregen, hetgeen zich heeft vertaald in de opkomst van het ‘sociale vraagstuk’ in het ondernemingsrecht, met andere woorden het vraagstuk van de medezeggenschap.6
Dat de maatschappelijke ontwikkelingen grote gevolgen hebben voor ons denken over de verhoudingen binnen ondernemingen, blijkt fraai uit de andere inkleuring die het begrip ‘vennootschappelijk belang’ krijgt. Van der Grinten schrijft hierover nog in 1952: ‘Uit het doel der vennootschap volgt, dat haar belang onlosmakelijk verbonden is aan het belang van haar aandeelhouders. De n.v. heeft geen volstrekt eigen belang. (...). [Zij] heeft ten aanzien van haar aandeelhouders een dienende functie.’ En: ‘Het werkelijk belang der vennootschap is het belang der gezamenlijke leden. Naar mijn mening bestaat hier een volstrekte identiteit. Zij volgt logisch uit het wezen van de vennootschap.’7 Maeijer daarentegen verstaat in zijn inaugurale rede uit 1964 onder ‘vennootschappelijk belang’, waarnaar bestuurders en commissarissen zich bij de uitoefening van hun taak hebben te richten ‘[h]et belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel.’8 Gaandeweg zal het gevoelen postvatten dat daartoe zijn te rekenen de belangen van aandeelhouders, maar bijvoorbeeld ook die van werknemers en crediteuren.