Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.3.5
2.3.5 De minister
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS469148:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 8-17 (MvT).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 11 (MvT).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 9 (MvT). Vermelding verdient nog de uitleg door de minister van de term ‘sanering’ die in de memories van toelichting en antwoord wordt gebruikt. Deze term betekent herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatie. De maatregelen kunnen niet alleen van technische, financiële of organisatorische aard zijn, doch vanzelfsprekend ook van sociale aard: Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 58 (MvA).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – Art. 54a – 1 (MvT). De minister heeft uiteenzetting door de Commissie Verdam op dit punt (Verdam 1965, p. 73-74) geciteerd.
De minister merkt nog op dat niet vereist is dat uit het desbetreffende besluit op zichzelf het wanbeleid blijkt. Voldoende is dat het aan sanering in de weg staat: Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – Art. 54a – 2 (MvT).
Vermeldenswaard is nog de reactie van de minister op de vraag of ook de bestuurders behoren tot degenen die in dienst zijn van de vennootschap: ‘Met de term “het belang van de aandeelhouders of degenen die in dienst der vennootschap zijn” (vergelijk art. 54b (slot) WvK, FV) is bedoeld het belang van deze personen als groep, niet dat van ieder hunner individueel. Daarom is het ook geen bezwaar dat men ook van bestuurders pleegt aan te nemen dat zij in dienstverband tot de vennootschap staan: hun belang behoeft niet doorslaggevend te zijn, indien dat tegengesteld is aan dat van de overige werknemers.’: Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – Art. 54b – 2 (MvA II).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – Art. 54 – 1 (MvT).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 55 (MvA).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 17 (MvT).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – p. 55-56 (MvA).
33. In het bovenstaande is opgemerkt dat het rapport van de Commissie Verdam een gezaghebbend geschrift is. Dit blijkt ook hieruit, dat de minister haar voorstellen aangaande wijziging van het enquêterecht in hoofdlijnen heeft overgeno-men en zelfs een groot deel van de toelichting in het rapport tot de zijne maakt in de memorie van toelichting.1 In het onderstaande kan dan ook worden volstaan met een korte weergave van een aantal opmerkingen.
34. Van belang is in de eerste plaats dat ook in de memorie van toelichting vooreerst wordt gewezen op de noodzaak van een zelfstandig bestuur met een grote mate van vrijheid. Echter: ‘Een hoge mate van vrijheid vereist (...) een hoge mate van verantwoordelijkheidsgevoel tegenover kapitaalverschaffers en werknemers. Een rechtsorde die aan onze economische orde beantwoordt, dient de mogelijkheid tot opening van zaken te verschaffen, wanneer twijfel aan het beleid in een onderneming rijst, en de mogelijkheid tot correctie, wanneer die twijfel gegrond blijkt.’ Uit het citaat en het vervolg van de toelichting blijkt dat de minister de oorspronkelijke doelstelling van het enquêterecht uit 1928 handhaaft: de bescherming van minderheidsaandeelhouders tegen een gebrek aan openheid en een onbevredigende gang van zaken. Bovendien wordt ook de positie van de werknemers erkend, hetgeen ligt ‘in de lijn der maatschappelijke ontwikkeling’: ‘Het belang van de werknemers is bij een goede gang van zaken in de onderneming niet minder, en voor velen onder hen zelfs meer, betrokken dan dat van verschillende kapitaalverschaffers. Bescherming van dat belang middels het enquêterecht is dan ook gerechtvaardigd.’ En: ‘Omdat in de onderneming de arbeidsfactor een integrerend bestanddeel is, is het redelijk dat door een hem vertegenwoordigende instantie kan worden opgekomen tegen ernstige beleidsfouten op sociaal of economisch gebied die zijn belangen bedreigen’.2 Vermeldenswaard is ten slotte dat ook in de memorie van toelichting direct wordt gewezen op het belangrijkste manco van de oude regeling: het ontbreken van een ‘deugdelijke regeling voor het geval dat uit het onderzoek wanbeleid blijkt’. Is er sprake van wanbeleid en weigert de meerderheid in te grijpen terwijl de bestuurders zelf niet de consequenties trekken uit het onderzoeksrapport, dan ‘ontbreken aan de minderheid – en niet zelden zelfs aan de meerderheid – de middelen om de vennootschap weer gezond te maken. Eén van de belangrijkste doeleinden van het wetsontwerp is, om hierin te voorzien.’3
35. De minister neemt het voorstel van de Commissie Verdam aangaande de in de wet op te nemen voorzieningen (zie hierboven, paragraaf 2.3.3.2) integraal over. Ook in de toelichting op de voorgestelde voorzieningen schaart hij zich achter de ideeën van de commissie.4 De minister merkt op dat schorsing of vernietiging – de minst ingrijpende voorziening – voldoende kan zijn, ‘als niet het gehele beleid in de vennootschap op de helling behoeft te komen. Anderzijds kan de maatregel ook, eventueel in combinatie met andere, worden genomen, als in een of meer besluiten wanbeleid tot uiting komt of indien daardoor wantoestanden zijn ontstaan.’5 Voor de voorzieningen onder (b) en (c) kan aanleiding bestaan indien de leiding van de onderneming in een impasse is geraakt. De combinatie van beide typen voorzieningen leidt tot een gehele of gedeeltelijke vernieuwing van de leiding. Ook de voorziening onder (d) komt de minister in navolging van de Commissie wenselijk voor. Immers, een statutaire voorziening – bijvoorbeeld een statutaire bepaling die voor het nemen van bepaalde besluiten een versterkte meerderheid eist – kan in bepaalde gevallen een goede oplossing blokkeren. Ontbinding – het ‘uiterste middel’ – komt pas aan de orde in gevallen waarin een impasse op geen andere wijze kan worden doorbroken, zij het dat ontbinding ingevolge art. 54b (slot) WvK (voorloper van art. 2: 357 lid 6 BW) slechts kan worden uitgesproken indien de belangen van de aandeelhouders of degenen die in dienst van zijn van de BV dan wel het openbaar belang zich daartegen niet verzetten. Het belang van de werknemers kan zich tegen ontbinding verzetten, indien deze liquidatie van de onderneming meebrengt, terwijl de werknemers slechts met moeite en nadeel een andere positie kunnen vinden. Gewoonlijk zal ontbinding echter niet gevolgd behoeven te worden door een liquidatie van de onderneming, omdat een ander bereid zal worden gevonden de onderneming over te nemen.6
In de algemene memorie van toelichting is nog ingegaan op de in paragraaf 2.3.4 weergegeven discussie in de SER omtrent de in art. 54a opgesomde voorzieningen. Hoewel de minister begrip heeft voor de gedachte dat onder omstandigheden positieve maatregelen meer gewenst zijn dan vernietiging van een besluit of ‘een wellicht nog krassere maatregel’, is hij ook gevoelig voor de mening van de minderheid uit de SER dat voorkomen moet worden dat de Ondernemingskamer zelf het beleid van de vennootschap gaat bepalen. De minister benadrukt in de toelichting op art. 54 WvK nogmaals dat de rechter die voorzieningen moet kunnen treffen, die tot herstel van een gezonde toestand in de vennootschap kunnen leiden, zonder zelf het benodigde beleid te voeren: ‘De ondernemingskamer zal – naar men mag vertrouwen – die beslissingen geven, die, passend bij de aard en de ernst van het wanbeleid (...), zo mogelijk de weg openen tot herstel.’7 Hij voegt hier aan toe in de memorie van antwoord: ‘Het kan evenwel ook zijn dat de bestuurders de redelijkheid van een positieve maatregel op zichzelf niet ontkennen, maar op geenszins zwakke gronden menen dat deze maatregel het belang der onderneming ernstig zou schaden (...). Het zijn juist zulke situaties waarin men van de rechter – die gewoonlijk zelf geen ervaring met het leiden van een onderneming zal hebben en die ook overigens de uitwerking van de maatregel niet voor zijn rekening neemt – zou verlangen de verantwoordelijkheid voor het treffen van de maatregel te nemen. Dit is een verantwoordelijkheid die hij moeilijk kan dragen: men denke daarbij met name aan het geval dat hij de maatregel zou doorzetten en dat dan achteraf blijkt dat de directie het juist heeft gezien.’8 De minister heeft gestreefd naar een tussenoplossing die aan beide opvattingen recht doet: art. 54, laatste zin, bepaalt dat de Ondernemingskamer haar beslissing kan aanhouden, indien de vennootschap tijdens de behandeling van de zaak zelf het nemen van concreet omschreven maatregelen aankondigt. Het voordeel van dit tijdstip is dat meteen kan worden onderzocht hoe de tegenpartij over het aanbod denkt. De Ondernemingskamer kán haar beslissing aanhouden, maar is hiertoe niet verplicht, met name niet als zij er niet van overtuigd is dat het aanbod serieus is bedoeld, of indien zij van mening is dat de voorgestelde maatregelen onvoldoende zijn. De sanctie is derhalve dat de Ondernemingskamer het aanbod kan passeren, en een van de krachtige voorzieningen genoemd in art. 54a kan treffen.9 Bijkomend voordeel van deze oplossing is dat de Ondernemingskamer aldus een ‘zekere druk’ op de leiding kan uitoefenen, ‘waardoor overleg over redelijke vrijwillige maatregelen ongetwijfeld zal worden bevorderd.’10