Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/2.3
2.3 De 20e eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232685:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De Jongh 2014, nr. 127.
De Jongh 2014, nr. 127; Westerhuis & De Jong 2015, p. 45. Met een piramideconstructie wordt gedoeld op het ‘stapelen’ van vennootschappen waarin een meederheidsbelang wordt gehouden om zo de zeggenschap te houden over vennootschappen waarin de uiteindelijk aandeelhouder effectief slechts een minderheidsbelang houdt. Met certificering van aandelen wordt gedoeld op het scheiden van zeggenschap en kapitaalbelang door het plaatsen van aandelen bij een stichting die certificaten van die aandelen uitgeeft aan kapitaalverschaffers. Met kwaliteitseisen wordt hier gedoeld op voorschriften die erop zien dat personen enkel bestuurder of commissaris kunnen zijn indien zij de Nederlandse nationaliteit bezitten. Met bijzondere meerderheden en quorumvereisten wordt gedoeld op de situatie dat statutair bepaald wordt dat voor een besluit een gekwalificeerde meerderheid van stemmen of een minimaal aandeel in het geplaatst kapitaal aanwezig moet zijn, terwijl voor een dergelijk besluit wettelijk slechts een gewone meerderheid nodig is. Zie ook paragraaf 6.1.3 van dit proefschrift voor een bespreking van verschillende soorten beschermingsconstructies.
De Jongh 2014, nr. 127. Zie in dezelfde zin: Frentrop 2013, p. 108.
Frentrop 2012, p. 108 merkt op dat dit gepaard ging met de beperking van zeggenschap van aandeelhouders.
De Jongh 2014, nr. 152.
Kennelijk werden de aandelenkoersen in Nederland niet negatief beïnvloed door de Eerste Wereldoorlog. Frentrop 2013, p. 106 en 109, merkt op dat de Eerste Wereldoorlog de aandelenkoersen in New York deed stijgen door hoop op winst en de Europese beurzen deed stijgen door vrees voor verlies. Dat laatste kwam kennelijk met name door hoge inflatie in enkele landen op het Europese continent, waardoor rendement werd gezocht in aandelenbeleggingen.
De Jongh 2014, nr. 128.
Rajan & Zingales 2003, par. 2. Van de 24 landen die in het onderzoek van Rajan & Zingales zijn betrokken kende enkel België op dat moment meer beursvennootschappen per miljoen inwoners.
Rajan & Zingales 2003, par. 2.
Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.7.
Belinfante 1929, p. VII. Zie ook: Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/15-25; Westerhuis & De Jong 2015, p. 85-89.
Zie voor een beknopt overzicht van verschillende (voor)ontwerpen en wijzigingen: Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/4.
Timmerman 2016/1.1.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/27.
Artikel 37 Wet van 1929.
Artikel 37a Wet van 1929. Indien de NV slechts voor bepaalde tijd was opgericht, werd deze in beginsel van rechtswege ontbonden door het verstrijken van die bepaalde tijd, zie artikel 55 lid 1 Wet van 1929.
Timmerman 2016/1.2. Bijzonder in de zin dat deze maatschapsvorm als gevolg van de rechtspersoonlijkheid ook jegens derden werkte. Zie voor een nuancering van deze visie, met name de verschillen tussen theoretische opvattingen en de praktijk, met tevens een onderbouwing van de opvatting dat de Wet van 1929 voornamelijk bedoeld was voor besloten NV’s: Overkleeft 2017, par. 2.3.1-2.3.2. Die laatste visie van Overkleeft behoeft mijns inziens op haar beurt weer enige nuancering, omdat uit de wetsgeschiedenis duidelijk wordt dat de regeling ook uitdrukkelijk bedoeld is voor open NV’s, zie Belinfante 1929, p. 310. Hieruit blijkt dat de kritiek van de kamercommissie op de regeling juist was dat deze teveel geschreven zou zijn voor de 20% open NV’s en niet voldoende voor de 80% besloten NV’s, waar de minister van Justitie tegenin bracht dat flexibiliteit geboden was, omdat het wetsontwerp naar zijn inhoud bestemd was om algemeen te gelden. Kennelijk was door de voorbereidende commissie van het wetsontwerp uit 1910 wel een gedetailleerde regeling tussen de open en besloten vennootschap voorzien, maar werd dit van regeringszijde tegengewerkt, zie Honée 1988, nr. 4.
Artikel 43 Wet van 1929. Met de akte van oprichting werd gedoeld op die akte met inbegrip van eventuele latere wijzigingen. We zouden dit nu de statuten noemen.
Belinfante 1929, p. 77. Het betrof hier de memorie van toelichting bij artikel 45 van het wetsontwerp van 14 februari 1910. Het artikel 45 uit dat ontwerp is uiteindelijk ongewijzigd opgenomen als artikel 43 van het gewijzigde wetsontwerp, zie de vergelijkingstabel in Belinfante 1929, p. 233. De ‘hoogste macht’-gedachte was oorspronkelijk dus niet slechts een stelling van Van der Heijden (anders: Overkleeft 2017, par. 2.2.3 en 2.3.2 en Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2018/45, par. 2), maar was kennelijk de bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van de Wet van 1929 (in dezelfde zin: Honée 1988, nr. 9; De Jongh 2014, nr. 147; Westerhuis & De Jong 2015, p. 88). Overigens merkt Löwensteyn 1959, p. 122 op dat de betekenis van de term ‘hoogste macht’ niet vast stond. Zie verder ook voetnoot 144 van dit hoofdstuk.
Artikel 43a en 43f e.v. Wet van 1929.
Artikel 44a Wet van 1929.
Artikel 44a Wet van 1929.
Artikel 44b Wet van 1929.
Artikel 47 Wet van 1929. Het tweede lid van artikel 1833 (oud) BW was een onderdeel van de zeventiende titel van het BW dat zag op de lastgeving. Het bepaalde dat om goederen te vervreemden, met hypotheek te bezwaren, om een dading aan te gaan of om een andere daad van eigendom te verrichten, een uitdrukkelijke lastgeving vereist was.
Artikel 48 en 48b Wet van 1929.
Artikel 51a Wet van 1929.
Artikel 48a Wet van 1929.
Artikel 48a Wet van 1929.
Artikel 50d Wet van 1929.
Frentrop 2013, p. 125.
Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.3.
Eisenberg & Cox 2014, p. 352 en Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.3.
Na de hierboven beschreven episode en de genoemde beleidswijziging raakten bindende voordrachtsrechten in zwang.1 Ook andere oligarchische of beschermende regelingen werden in het begin van de 20e eeuw geïntroduceerd, zoals piramideconstructies, certificering van aandelen, kwaliteitseisen voor bestuurders en commissarissen gerelateerd aan hun nationaliteit, bijzondere meerderheden en quorumvereisten.2 De Jongh beschrijft deze ontwikkelingen gedetailleerd in zijn proefschrift.3 Hij signaleert als motieven de wensen om het Nederlandse bedrijfsleven te beschermen tegen buitenlandse overnames en concurrenten op afstand te houden. Als onderliggende drijfveren noemt hij de toenemende belangen van buitenlandse investeerders in Nederlandse beursvennootschappen aan het einde van de 19e en begin van de 20e eeuw in combinatie met de kleine omvang van beursvennootschappen ten opzichte van hun buitenlandse soortgenoten en het feit dat die buitenlandse soortgenoten vaak ook over oligarchische regelingen konden beschikken. Daarbij wijzigde het politieke klimaat aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Het liberalisme verloor terrein ten gunste van het nationalisme en protectionisme.4 De periode van economische groei in Nederland vanaf het einde van de 19e eeuw leidde ook tot de groei van veel ondernemingen, waarbij in die NV’s institutionele en corporatieve elementen meer op de voorgrond traden, zodat het bestuur van de NV slagvaardig kon (blijven) optreden.5 In de jaren van 1914 tot 1920 vonden in Nederland veel aandelenemissies plaats.6 Aandeelhouders namen daarbij genoegen met minder zeggenschap, mede gezien de florerende economie, aandeelhoudersabsenteïsme en toenemende liquiditeit.7 De Amsterdamse beurs was aan het begin van de 20e eeuw dan ook zeer populair. In 1913 kende Nederland 65,87 beursvennootschappen per miljoen inwoners, wat relatief hoog was.8 Ter vergelijking: de Verenigde Staten kenden destijds 4,75 beursvennootschappen per miljoen inwoners.9 In 1914 werd een beurswet ingevoerd die de basis vormde voor toezicht door de minister van Financiën op de effectenmarkten, maar dit toezicht bleef beperkt, nu de zelfregulering van de Amsterdamse beurs in grote mate gehandhaafd bleef.10
Na een langdurig herzienings- en wetgevingsproces11 beleefde het NV-recht een grondige herziening met de Wet van 1929.12 Timmerman noemt de inwerkingtreding van deze wet op 1 april 1929 het “beginpunt van de geschiedenis van het moderne ondernemingsrecht”.13 Inderdaad bevatte de nieuwe regeling een duidelijke uitbreiding van de destijds bestaande NV-wetgeving, waarvan veel bepalingen nog zijn terug te vinden in het huidige boek 2 BW. Die uitbreiding bestond deels uit ‘nieuw recht’ en deels uit verduidelijkingen en codificaties van bestaande rechtspraak.14 Zo werd – in overeenstemming met de rechtspraak van de Hoge Raad – verduidelijkt dat een NV een rechtspersoon was.15 Het uitgangspunt werd voorts dat de NV voor onbepaalde tijd werd aangegaan, al kon de akte van oprichting anders bepalen.16 Voor de verhouding tussen de AV en het bestuur is van belang dat aan deze twee organen van de NV veel uitgebreider aandacht werd besteed dan in de Wet van 1838 het geval was. Paragraaf 4 van de Wet van 1929 was gewijd aan de positie van de AV en paragraaf 5 van die wet aan de positie van het bestuur. Bij de inwerkingtreding van de Wet van 1929 werd de NV gezien als een bijzondere vorm van maatschap.17
Het vertrekpunt voor de verdeling van bevoegdheden binnen de vennootschappelijke organisatie in de Wet van 1929 was dat alle bevoegdheden berustten bij de AV, binnen de in de wet of de akte van oprichting gestelde grenzen.18 Volgens de wetsgeschiedenis was de AV “het hoogste gezag in de naamlooze vennootschap”.19 De Wet van 1929 bepaalde voorts dat ieder jaar een AV diende te worden gehouden en bevatte formaliteiten voor de oproeping daarvan.20 Aandeelhouders waren bevoegd om de AV bij te wonen, daarin het woord te voeren en hun stemrecht uit te oefenen.21 Het bestuur kreeg in de AV een raadgevende stem.22 De stemrechtbeperking uit de Wet van 1838 bleef echter bestaan.23 In artikel 43c-d van die wet werd aan aandeelhouders die gezamenlijk ten minste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen het recht toegekend om het bestuur en de commissarissen te verzoeken een AV bijeen te roepen met opgave van de te behandelen onderwerpen. Dit recht om een vergadering te verzoeken is inhoudelijk vrijwel gelijk aan de huidige regeling in artikelen 2:110 en 111 BW.
Het bestuur werd in de Wet van 1929 de volgende kernbevoegdheden toegekend: (1) het besturen van “de zaken der vennootschap”, (2) het beheer van het vermogen van de NV, (3) de handelingen bedoeld bij het tweede lid van artikel 1833 (oud) BW en (4) het vertegenwoordigen van de NV in en buiten rechte.24 Het bestuur werd voor de eerste maal benoemd in de akte van oprichting en later door de AV, die ook bevoegd was elke bestuurder te allen tijde te schorsen of ontslaan.25 Ook commissarissen waren, tenzij in de akte van oprichting anders was bepaald, bevoegd om iedere bestuurder te allen tijde te schorsen, met dien verstande dat die schorsing door de AV kon worden opgeheven.26 De akte van oprichting kon bepalen dat de benoeming van bestuurders diende te geschieden uit een voordracht van twee kandidaten, maar de AV kon aan die voordracht steeds het bindend karakter ontnemen bij besluit genomen met twee derde van de stemmen, vertegenwoordigende meer dan de helft van het geplaatste kapitaal.27 De bezoldiging van het bestuur werd door de AV bepaald, tenzij in de akte van oprichting van die hoofdregel werd afgeweken.28 De AV was in beginsel ook bevoegd om commissarissen te benoemen, te ontslaan en te schorsen, behoudens dat in de akte van oprichting kon worden bepaald dat hoogstens een derde van het aantal commissarissen kon worden benoemd door een ander dan de AV. Die ‘ander’ had dan ook het uitsluitend recht om de desbetreffende commissarissen te ontslaan en te schorsen, waar dat recht in beginsel de AV toekwam.29
In het jaar van de inwerkingtreding van de Wet van 1929 vond in de Verenigde Staten de beurskrach plaats. In de nasleep daalden de aandelenkoersen in veel landen en kwamen verschillende boekhoudfraudes aan het licht.30 De beurskrach had in eerste instantie geen grote invloed op Nederland. Dit werd pas anders toen begin jaren 1930, als gevolg van de invloed van deze crisis op de internationale markten, de buitenlandse vraag naar Nederlandse producten afnam, de economische groei stagneerde en de werkloosheid toenam. Niettemin leidden deze crisisjaren in Nederland niet tot noemenswaardige wetswijzigingen.31 Dat was anders in de Verenigde Staten. De federale wetgever – die geen directe invloed heeft op het vennootschapsrecht van staten, maar wel op het federale effectenrecht – introduceerde daar de Securities Act van 1933 en de Securites Exchange Act van 1934.32 De eerstgenoemde wet heeft tot doel ervoor te zorgen dat beleggers financiële en andere belangrijke informatie ontvangen over effecten die aan het publiek worden aangeboden en dat bedrog, misleiding en fraude worden voorkomen.33 Met de laatstgenoemde wet is de Securities and Exchange Commission (SEC) ingesteld, die brede bevoegdheden heeft om doorlopend toezicht te houden op de effectenmarkten- en beurzen, en werden regels geïntroduceerd over informatie- en andere rapportageverplichtingen, openbare biedingen en handel met voorwetenschap.34 Beide wetten zijn (in aangepaste vorm) nog steeds van kracht en vervullen een prominente rol in het Amerikaanse effectenrecht.