Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.5.2.2
4.5.2.2 Toelaatbaarheid en gebruik van verklaringen uit het vooronderzoek
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 26 maart 1996, nr. 54/1994/501/583, NJ 1996, 741 (Doorson t. Nederland), § 67. Zie eerder ook EHRM 12 juli 1988, nr. 10862/84 (Schenk t. Zwitserland), § 46.
‘The Court cannot hold in the abstract that evidence given by a witness in open court and on oath should always be relied on in preference to other statements made by the same witness in the course of a criminal proceedings, not even when those are in conflict’ (EHRM 26 maart 1996, nr. NJ 1996, 741 (Doorson t. Nederland), § 78).
Zie ook de annotatie van Knigge onder EHRM 26 maart 1996, nr. 20524/92, NJ 1996, 741 (Doorson t. Nederland).
EHRM 26 juli 2011, nr. 35485/05, EHRC 2011, 114 m.nt. Van Kampen (Huseyn e.a. t. Azerbeidzjan), § 211. Wat opvalt is dat in deze uitspraak niet zozeer het perspectief van de verdachte en diens mogelijkheden om de betrouwbaarheid te betwisten centraal staat, maar de mogelijkheid van de rechter om het bewijs te kunnen toetsen.
EHRM 25 april 2013, nr. 51198/08, EHRC 2013, 150, m.nt. Ölçer (Erkapic´ t. Kroatië), § 75.
Het EHRM laat zich – naar eigen zeggen – niet uit over de toelaatbaarheid en waardering van het bewijsmateriaal. Het EHRM stelt minimumeisen aan de procedure als geheel, maar de beantwoording van de vraag of bepaald bewijsmateriaal moet worden toegelaten, hoe het bewijsmateriaal moet worden gepresenteerd en welk gewicht daaraan moet worden toegekend, wordt in beginsel gerekend tot het domein van de nationale wetgever en de feitenrechter. De standaardoverweging van het EHRM luidt in dit verband als volgt.
‘The admissibility of evidence is primarily a matter for regulation by national rules, and, in principle, it is for the national courts to asses the evidence before them. Accordingly, the Court’s task under the Convention is to ascertain whether the proceedings considered as a whole, including in which evidence was taken, were fair.’1
Weliswaar laat het EHRM zich niet uit over de toelaatbaarheid en waardering van het bewijsmateriaal, het standpunt van het Hof houdt hiermee wel rechtstreeks verband. Een heel strikt vasthouden aan het ondervragingsrecht heeft immers consequenties voor de ‘bruikbaarheid’ van verklaringen die niet met behulp van het ondervragingsrecht zijn getoetst, terwijl daar door de verdediging wel om was gevraagd. Zo gold tot voor kort de eis dat een veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate mocht berusten op de verklaringen van niet-ondervraagde getuigen of anonieme getuigen. Dit betekende dat de rechter bij het ontbreken van ander belastend bewijsmateriaal tot een vrijspraak zou moeten komen. Het Hof heeft recent echter zijn standpunt op dit punt aangepast zoals zal blijken in § 4.5.3.2, maar het voorgaande illustreert wel de relatie tussen (de invulling van) het ondervragingsrecht en de mogelijkheden om de verklaringen van niet-ondervraagde of anonieme getuigen te gebruiken als dragend bewijsmiddel.
Ook op het moment dat een getuige op de terechtzitting is gehoord maar daarbij een andere verklaring aflegt dan in het vooronderzoek, staat het de feitenrechter vrij om de aldaar afgelegde verklaring ter zijde te schuiven en gebruik te maken van de schriftelijke verklaring neergelegd in het dossier.2 Hieruit kan worden afgeleid dat het Hof zich (in abstracto) niet op het standpunt stelt dat bewijs dat op onmiddellijke wijze is verkregen ook onder alle omstandigheden het meest betrouwbare bewijsmateriaal (best evidence) zal opleveren.3 Echter, blijkens de volgende passage geniet – bij een keuze tussen een ter terechtzitting afgelegde verklaring en een in het vooronderzoek afgelegde verklaring – het onmiddellijke bewijsmateriaal in beginsel wel de voorkeur boven bewijsmateriaal dat op middellijke wijze tot de rechter komt.
‘The Court considers that the notion of a fair and adversarial trial presupposes that, in principle, a tribunal should attach more weight to a witness’s testimony given at the trial hearing than to a record of his or her pre-trial questioning produced by the prosecution, unless there are good reasons to find otherwise. Among other reasons, this is because pre-trial questioning is primarily a process by which the prosecution gather information in preparation for the trial in order to support their case in court, whereas the tribunal conducting the trial is called upon to determine a defendant’s guilt following a fair assessment of all evidence actually produced at the trial, based on the direct examination of evidence in court.’4
Het Hof voegt hier in Erkapic´ tegen Kroatië aan toe dat:
‘Although it is not the Court’s task to verify whether the domestic courts made any substantive errors in that assessment, it is nevertheless required to review whether the courts gave reasons for their decisions in respect of any objections concerning the evidence produced.’5
Het Hof meent dat in geval de getuige zowel in het vooronderzoek als op het onderzoek ter terechtzitting heeft verklaard, meer gewicht moet worden toegekend aan de verklaring afgelegd ter terechtzitting, tenzij concrete aanleiding bestaat om anderszins aan te nemen. Maar als gezegd, er is geen algemene regel die het gebruik van schriftelijke getuigenverklaringen verbiedt. De rechter moet op dit punt wel rekenschap afleggen door in het vonnis in te gaan op de bezwaren aangevoerd met betrekking tot de totstandkoming van de getuigenverklaringen in het vooronderzoek.