Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.3.1.0
8.3.1.0 Introductie
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284668:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Het stelsel waarbinnen het besluit wordt genomen, zoals de Mw, strekt natuurlijk vaak wel tot bescherming van derden. De schadevergoedingsvordering van die derde moet worden beoordeeld binnen de categorie ‘besluiten jegens geadresseerde met schadelijke gevolgen voor derden’ (zie §5.4 en 8.5).
Vgl. HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3253, NJ 2006/325, m.nt. M.R. Mok (Staat/SFR) waarin de Hoge Raad oordeelt dat ook jegens de begunstigde van een subsidie aan de relativiteit ex art. 6:163 BW is voldaan, ook al kwalificeert die begunstigende in bestuursrechtelijke zin niet als direct-belanghebbende. Zie ook A-G Hartlief in zijn conclusie voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3231, JAR 2018/36 (UWV/Belfor) (afdoening op grond van art. 81 RO) onder 3.26 en 3.28. Hij betoogt dat aan de persoonlijke relativiteit is voldaan bij een onjuist besluit van de overheid jegens de aanvrager.
584. Een begunstigend besluit behelst soms de vrijstelling van een algemeen aan het vergunningstelsel verbonden verbod. Dat verbod alsmede de door de vergunning gestelde eisen beperken vaak weer absolute en persoonlijke rechten. Bouw-, milieu-, ontheffings- en exploitatievergunningstelsels, certificeringseisen zijn daarvan voorbeelden. Het stelsel beperkt met een algemeen verbod een eigendomsrecht, een huurrecht, een erfpachtrecht etc. De vergunning heft dat verbod (deels) op. De aanvrager kan binnen die (rechtmatige) grenzen gebruik maken van het ingeperkte recht. Deze constructie biedt mijns inziens belangrijke aanknopingspunten om vast te stellen welke bescherming de zorgvuldigheidsnorm beoogt. Ik licht dat hierna verder toe.
Persoonlijke relativiteit
585. De zorgvuldigheidsnorm strekt naar haar aard als uitgangspunt enkel tot bescherming van de aanvrager of de materieel begunstigde van het besluit.1 Jegens de aanvrager bestaat immers de verplichting een juiste beslissing te nemen, de materieel begunstigde verkrijgt de vrijstelling van het mede voor hem geldende verbod. De persoonlijke relativiteit is dus in beginsel tot hen beperkt.2 De norm strekt om die reden ex art. 6:163 BW als uitgangspunt niet tot bescherming van personen buiten die kring. Waar ik hierna spreek over ‘de aanvrager’ bedoel ik – tenzij anders aangegeven – dus ook de materieel begunstigde.
Zakelijke en intredingsrelativiteit
586. Dan de zakelijke en intredingsrelativiteit: tegen welke schade en welke intredingswijze wil de zorgvuldigheidsnorm de aanvrager in abstracto niet of juist wel beschermen? Er laten zich mijns inziens in abstracto in ieder geval drie tamelijk evidente doelstellingen van de norm onderscheiden op basis van de algemene noties en beginselen die daarachter schuil gaan.
587. Ten eerste beoogt de norm de aanvrager zo snel als het recht toestaat – dus meteen bij besluit in primo – gebruik te laten maken van de mogelijkheden die het besluit hem wil bieden. De aanvrager doet zijn aanvraag immers juist met het oog daarop. Sommige vergunningen hebben een duidelijk commercieel motief. Marktvergunningen worden bijvoorbeeld verleend met het oogmerk deel te nemen aan een markt. De aanvrager beoogt met de aanvraag dus commercieel deel te nemen aan die markt en de zorgvuldigheidsnorm wil die aanvrager die mogelijkheid zo snel als het recht toestaat bieden. De norm strekt daarom mede ertoe de aanvrager de mogelijkheid te bieden door die marktdeelname winst te behalen. Daaruit vloeit voort dat winstderving als gevolg van een onterechte weigering van een marktvergunning vergoed moet worden – onafhankelijk van de bestuursrechtelijke grondslag van de ongeldigheid van de weigering.
588. Ten tweede heft de vergunningverlening de algemene beperking van de rechten van de aanvrager op. De aanvrager doet de aanvraag mede om weer vrijelijk binnen rechtmatige grenzen van die rechten gebruik te kunnen maken. Daarom beoogt de zorgvuldigheidsnorm de aanvrager zo snel als mogelijk gebruik te laten van diens door het algemeen verbod beperkte rechten binnen de door het besluit te stellen rechtmatige grenzen. Daaruit vloeit weer voort dat de strekking van die rechten van belang is om vast te stellen waartegen de zorgvuldigheidsnorm de gelaedeerde wel en niet wil beschermen. Eenvoudig gezegd: de zorgvuldigheidsnorm wil ervoor zorgen dat de aanvrager van zijn rechten gebruik kan maken, waardoor de strekking van die rechten bepaalt wat de norm de aanvrager wil bieden. Die strekking verschilt per recht. Het eigendomsrecht wil bijvoorbeeld de rechthebbende de vrijheid bieden diens zaak binnen rechtmatige grenzen te gebruiken en te exploiteren als hemzelf goeddunkt. Het huurrecht op een 230a- of 290-ruimte heeft bijvoorbeeld eveneens zo’n commercieel exploitatie-oogmerk ten aanzien van het gehuurde, maar biedt weer niet de volledige vrijheid het gehuurde te gebruiken als de huurder goeddunkt. Het huurrecht op woonruimte strekt bijvoorbeeld weer niet tot economische exploitatie van de woning, maar wel tot het verkrijgen van het woongenot van het gehuurde.
589. Ten slotte wil de zorgvuldigheidsnorm in ieder geval voorkomen dat de aanvrager meer dan rechtens noodzakelijke kosten moet maken ter verkrijging van een begunstigend besluit. Een aanvrager moet als uitgangspunt daartoe noodzakelijke advieskosten, kosten voor het opmaken van milieueffectrapportages etc. zelf dragen. Achter de eis dat het overheidslichaam vervolgens meteen conform het recht op de aanvraag beslist, gaat mijns inziens de algemene notie schuil dat het bij die voor de aanvraag noodzakelijke kosten moet blijven. De aanvrager hoeft niet méér dan rechtens noodzakelijke kosten te dragen, omdat de overheid nalaat meteen conform het recht op die aanvraag te beslissen. Waar het overheidslichaam dus in zijn besluitvorming op de aanvraag ten onrechte vereisten stelt die een aanvrager op meer kosten jaagt, moet de overheid die kosten vergoeden – voor zover de wet uiteraard niet voorziet in een exclusieve (forfaitaire) schaderegeling.
590. Hierna bespreek ik verschillende door de literatuur bekritiseerde casus die beslist zijn op grond van de relativiteit of redelijke toerekeningsleer. De uitkomst is volgens mij steeds consistenter en inzichtelijker verklaarbaar – of de onjuistheid ervan aanwijsbaar – via de zorgvuldigheidsnorm, de hierboven beschreven algemene noties die daarachter schuilgaan en de driestapstoets.