Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.3.1.2
8.3.1.2 De onterechte weigering tot registratie als arts
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284689:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9894 (Arts/KNMBG).
Kamerstukken II 1985/86, 19 376, 2 (Notitie over grondrecht van vrijheid van arbeidskeuze), p. 4. Zie ook Bunschoten 2018a, art. 19 Gw, aant. 4.
Sociale grondrechten zijn niet afdwingbaar. Dat doet er echter niet aan af dat de overheid daaraan op zichzelf is gebonden. Om die reden kan het sociale grondrecht ook van invloed zijn op het beschermingsbereik van de zorgvuldigheidsnorm.
Art. 16 Handvest kwalificeert als recht, en niet als louter beginsel. Zie Verburg 2017, p. 116. Zie voorts zeer uitvoerig over deze materie Verburg 2015, p. 159-194. Art. 16 Handvest is in deze casus overigens niet direct van toepassing. Op grond van art. 51 Handvest richten de bepalingen uit het handvest zich enkel tot lidstaten als zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Dat is in de herregistratie-casus niet het geval.
Zie hierover Verburg 2017, p. 115.
597. De zaak Arts/KNMBG1 biedt ook – hoewel niet uitvoerig bekritiseerd in de literatuur – aanleiding tot toetsing van de door mij voorgestelde benadering. Een arts verzoekt om herregistratie als huisarts. De KNMBG weigert die registratie aanvankelijk. De bestuursrechter oordeelt dat die weigering lijdt aan een motiveringsgebrek, waarna alsnog registratie volgt. De arts vordert schadevergoeding wegens gederfde inkomsten. Het hof wijst de vordering af: de registratieplicht strekt niet tot bescherming van het inkomen van artsen, maar tot bescherming van de kwaliteit van de zorg. Die benadering verbaast vanuit het – in Amsterdam/Derksen nog centraal staande – ‘ongeldig = onrechtmatig’-paradigma: de ongeldigheid schuilt toch in het motiveringsgebrek? Waarom springt het hof dan toch naar de strekking van die registratie-eis?
598. Mijn model verklaart die sprong. De KNMBG schendt – naast het motiveringsvereiste – de zorgvuldigheidsnorm. De zoektocht naar het beschermingsbereik valt daarom weer uiteen in drie vragen: (i) lijdt een aanvrager of materieel gerechtigde de inkomensschade, (ii) waartoe strekt het registratievereiste en (iii) beperkt het registratiestelsel een recht dat strekt tot bescherming tegen inkomensschade? Het hof beantwoordt de tweede vraag: het registratievereiste wil enkel de volksgezondheid beschermen, niet het inkomen van de arts. De sprong naar de strekking van dat registratievereiste is in mijn model navolgbaar en die uitleg van het registratievereiste is mijns inziens ook begrijpelijk. Daaruit volgt dat Amsterdam/Derksen en Arts/KNMBG zich, anders dan men op het eerste gezicht zou denken, op basis van dezelfde normschending consistent laten oplossen.
599. Het hof laat de eerste en derde vraag echter onbeantwoord. Het antwoord op de eerste vraag is evident positief en laat ik hier rusten. Maar beperkt het registratiestelsel ook een recht van de arts dat wél strekt tot bescherming van diens inkomen? Het is niet mijn doel die discussie hier definitief te beslechten, maar het model biedt vanuit dat perspectief volgens mij wel grond voor twijfels over de juistheid van de uitspraak. Het stelsel beperkt namelijk verschillende rechten die mogelijk ook strekken tot vrije beroepsuitoefening ter bescherming van inkomen. Allereerst beschermt art. 19 lid 3 Gw als sociaal recht de vrije keuze van arbeid. De parlementaire geschiedenis wijst erop dat deze bepaling (i) de zelfstandige uitoefening van bedrijf en beroep omvat en (ii) het recht omvat om gekozen arbeid zonder belemmeringen te (blijven) verrichten.2 Daaruit valt voorzichtig af te leiden dat het recht ook de verkrijging van inkomen uit die vrije beroepsuitoefening wil beschermen.3 Dat strookt met het sociale karakter van de bepaling. Art. 16 Handvest en art. 49 VwEU bieden daarvoor extra steun. Die bepalingen garanderen de vrijheid van ondernemerschap met als oogmerk te garanderen dat een burger zijn vrije beroep kan uitoefenen. Ook die rechten4 zijn economisch ingegeven. Zij garanderen de vrijheid om een economische of handelsactiviteit uit te oefenen.5 De inkomensschade moet in deze benadering – anders dan het hof oordeelt – op de voet van stap 2 worden toegerekend.