Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.5:2.7.5 Rb. Utrecht 1 september 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5787
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.5
2.7.5 Rb. Utrecht 1 september 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5787
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859116:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Bosch 6 april 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2386.
HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5540.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze zaak, die bekend staat als de Nuenense moordzaak, liggen de feiten als volgt.
V heeft een zoon uit haar eerste huwelijk. Na haar echtscheiding is zij hertrouwd met M. Uit dit huwelijk wordt eveneens een zoon geboren. V heeft bij testament haar echtgenoot en twee zoons tot erfgenamen benoemd. V is in 2001 als vermist opgegeven bij de politie. M is in augustus 2003 door de regiopolitie als getuige gehoord in het onderzoek naar de vermissing van V. In 2005 is het stoffelijk overschot van V gevonden. M is strafrechtelijk vervolgd voor zijn betrokkenheid bij de dood van V. Het Gerechtshof Den Bosch acht niet bewezen dat M haar van het leven heeft beroofd en spreekt hem van dit feit vrij. Het hof veroordeelt M wel voor het begraven en verbergen van het lichaam van V.1 M wordt een gevangenisstraf opgelegd van twee jaar. Het door de Advocaat-Generaal ingestelde cassatieberoep tegen deze uitspraak, is verworpen.2
De eerste echtgenoot van V neemt als wettelijke vertegenwoordiger van zijn zoon onder meer het standpunt in dat M op grond van artikel 4:3 lid 1 BW onwaardig is om te erven van V. De rechtbank volgt deze redenering niet. Aan geen van de onwaardigheidsgronden wordt voldaan.
De rechtbank vervolgt dat onder omstandigheden de vererving door een erfgenaam zo stuitend kan zijn dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel om hem als erfgenaam toe te laten. M heeft door het verbergen van het lichaam van V eraan bijgedragen dat haar naasten lange tijd in onzekerheid hebben verkeerd over de vraag of zij nog in leven was. Het gerechtshof heeft in de strafzaak overwogen dat M – naar zijn zeggen – geen afstand van V kon nemen en haar bij zich wilde houden. Volgens het hof getuigt dit van egoïsme met voorbijgaan aan de belangen van de naasten van V. Dit betreft de belangen van de nabestaanden van V en niet de belangen van V zelf. Niet is gesteld of gebleken dat M jegens V op een dusdanige wijze heeft gehandeld dat het voor het rechtsgevoel onaanvaardbaar is om M als erfgenaam van V toe te laten, aldus de rechtbank. M kan derhalve rechten ontlenen aan het testament van V en voordeel trekken uit haar nalatenschap.
In deze zaak moeten twee gedragingen worden onderscheiden. Het ombrengen van V en het verhullen van haar lichaam. M is vrijgesproken voor het eerste. Dat betekent dat er juridisch gezien van moet worden uitgegaan dat hij het feit niet heeft gepleegd. Op die grond komt onwaardigheid niet in beeld. Het begraven en verbergen van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van maximaal twee jaren (art. 151 Sr). Daarmee is dit delict geen feit dat met onwaardigheid wordt bedreigd. Als M vervolgens op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid zijn erfrechtelijke aanspraken wordt onthouden, ontstaat een situatie die zich moeilijk laat rijmen met het limitatieve karakter van artikel 4:3 lid 1 BW. Gelet hierop dient in dit geval naar mijn mening geen correctie plaats te vinden op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Voor de rechtbank is van betekenis dat M met zijn handelen de belangen van de naasten van V heeft geschaad en niet de belangen van V. Bij de toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid hoeft niet per definitie sprake te zijn van rechtstreeks handelen tegen de erflater. Een voorbeeld hiervan betreft de hiervoor besproken uitspraak van de kleinzoon die geen legitieme portie ontvangt in de nalatenschap van zijn grootmoeder. Dat neemt niet weg dat ik in dit geval de slotsom van de rechtbank onderschrijf dat M rechten kan ontlenen aan het testament. Anders wordt een resultaat bereikt dat moeilijk verenigbaar is met artikel 4:3 BW.