Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.8.2.5.4:7.8.2.5.4 Wijziging van de statuten
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.8.2.5.4
7.8.2.5.4 Wijziging van de statuten
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232773:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Rensen 2-III, 2017/359 – 360.
Zie Asser/Rensen 2-III, 2017/361.
Zie nader over deze bepaling Asser/Rensen 2-III, 2017/365. Een recent voorbeeld van toepassing van deze bepaling is hof Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2070.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gezien artikel 2:293 BW is een wijziging van de statuten van een stichting slechts mogelijk indien de statuten daartoe zelf de mogelijkheid openen. Daarbij kunnen de statuten deze wijzigingsbevoegdheid toekennen aan het bestuur, maar ook aan anderen (eventueel ook buiten de stichting). Het is ook mogelijk om een besluit tot wijziging van de statuten te onderwerpen aan goedkeuring of om de wijziging van één of meer statutaire bepalingen uit te sluiten. Indien de wijziging van één of meer bepalingen is uitgesloten, kan ook de statutaire bepaling die dit regelt niet gewijzigd worden.1 Ook indien de statuten wijziging van het doel van de stichting in zichzelf toelaten, impliceert dit nog geen volledige vrijheid tot wijziging: bijvoorbeeld de aard van de wijziging in relatie tot de (oorspronkelijke) activiteiten van de stichting kan tot de conclusie leiden dat een wijziging van het doel niet toelaatbaar is.2
In aanvulling hierop biedt artikel 2:294 BW een mogelijkheid tot wijziging van de statuten voor de situatie dat ongewijzigde handhaving hiervan zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild en (i) de statuten niet in de mogelijkheid van wijziging voorzien of (ii) degenen die de bevoegdheid tot wijziging hebben dit nalaten. Een verzoek tot statutenwijziging kan ingediend worden door een oprichter, het bestuur of het openbaar ministerie. Bij een eventuele wijziging wijkt de rechtbank bovendien zo min mogelijk van de bestaande statuten af en hij is bovendien bevoegd om de statuten op een andere wijze aan te passen dan verzocht (zie lid 2).3
Ook deze regeling beoogt een regeling te bieden voor de situatie dat de stichting in een impasse raakt. Een mogelijke complicatie is daarbij echter gelegen in de omstandigheid dat de kring van personen in dit geval enger geformuleerd is dan bij artikel 2:298 BW inzake het ontslag van bestuurders. “Belanghebbenden” ontbreken in dit geval. Indien derhalve de oprichter reeds overleden is, een situatie die zich bij een STAK waar een statutenwijziging gewenst is, maar niet plaatsvindt, goed voor kan doen, en het bestuur eveneens ontbreekt of onwillig is, dan hebben de certificaathouders geen mogelijkheid om zelf een verzoek in te dienen tot statutenwijziging. Slechts het openbaar ministerie heeft die mogelijkheid dan nog.
Om een flexibele structuur te houden, zal een vrij ruime mogelijkheid tot statutenwijziging moeten worden gecreëerd. Het ligt daarbij voor de hand om het stichtingsbestuur als bevoegd orgaan aan te wijzen, in elk geval ten aanzien van bepalingen die zijn overige bevoegdheden raken. Daarnaast kan men ook aan de (vergadering van) certificaathouders, bijvoorbeeld in de hoedanigheid van certificaathoudersvergadering, een wijzigingsbevoegdheid toekennen op bepaalde punten, met name ten aanzien van hun rechten en zonder dat zij via deze weg de certificering op enige manier ongedaan kunnen maken. De invloed van de certificaathouders kan actief worden vormgegeven, zodat zij een initiatief tot wijziging kunnen nemen, maar ook passief, bijvoorbeeld in die vorm dat wijziging van een bepaling alleen met goedkeuring van de certificaathoudersvergadering mogelijk is. De passieve variant past vermoedelijk beter bij familiale certificering gericht op de lange termijn, aannemend dat de insteller überhaupt enige invloed aan de certificaathouders wil toekennen. Om hun positie te waarborgen, dienen zij naar mijn mening echter in elk geval wijzigingen van de statuten in hun nadeel te kunnen tegenhouden. Een impasse bij zich onredelijk opstellende certificaathouders kan in zoverre ondervangen worden, dat het bestuur van de STAK kan terugvallen op artikel 2:294 BW en de rechter verzoeken om de statuten alsnog aan te passen.