Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.3.1
8.3.1 Invoering stil pandrecht
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS391807:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze ontwikkeling hierna par. 8.5.
Ik hanteer het begrip ‘stil pandrecht’ voor pandrechten op zowel roerende zaken als vorderingsrechten omdat ik deze twee categorieën doorgaans gezamenlijk bespreek. In de literatuur wordt de term stil pandrecht wel gereserveerd voor vorderingsrechten en wordt ter onderscheiding hiervan ‘vuistloos pandrecht’ gekoppeld aan roerende zaken. Zie Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/165 en Steneker 2012/1. De term ‘bezitloos pandrecht’ dient te worden vermeden omdat deze ten onrechte suggereert dat de vuistpandhouder het bezit van de verpande zaak verkrijgt.
Onder oud BW bestond de kleine theoretische mogelijkheid dat een zaak verscheidene malen in vuistpand werd gegeven indien deze in de macht van een overeengekomen derde werd gebracht. Zie art. 1199 OBW ten aanzien waarvan Opzoomer IV, p. 591, voetnoot 2 opmerkt dat hiermee dubbele verpanding mogelijk is gemaakt.
Hierover wordt wel anders gedacht. Zie de bespreking van de andersluidende opvatting in par. 7.2.4.
De vaststelling van de rangorde naar ouderdom volgt wel uit PG Boek 3 BW, MvA II, p. 763 en 764.
Het nieuwe BW brak met de traditie dat roerende zaken slechts in pand konden worden gegeven door deze uit de macht van de debiteur te brengen. Sinds 1992 kan de debiteur die de zaak onder zich wenst te houden – hetgeen aanvankelijk werd bewerkstelligd door de zaak fiduciair in eigendom over te dragen en door middel van constitutum possessorium te leveren1 –op die zaak een pandrecht vestigen door middel van een authentieke of onderhands geregistreerde akte. Hetzelfde geldt voor de verpanding van vorderingsrechten. De verplichte mededeling aan de debitor cessus kan thans achterwege blijven indien het pandrecht wordt gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte.
De introductie van dergelijke stille2 pandrechten heeft de mogelijkheid doen toenemen dat roerende zaken en vorderingsrechten ten behoeve van verscheidene crediteuren in zekerheid worden gegeven.3 Anders dan bij de fiduciaire eigendomsoverdracht tast de zekerheidsverlening in de vorm van de vestiging van een pandrecht de beschikkingsbevoegdheid van de debiteur immers niet aan.4 Vanwege de absolute werking die aan goederenrechtelijke zekerheidsrechten toekomt, beheerst de – in dit verband niet gecodificeerde – prioriteitsregel de onderlinge verhouding tussen de pandhouders.5 Pandrechten nemen onderling in beginsel rang in naar de volgorde van de tijdstippen waarop zij tot stand zijn gekomen.