Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.7.4
2.7.4 De Hoge Raad gaat weer om
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS592166:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Van Eikema Hommes 1975, p. 114.
Slager 1982, p. 161.
Stein 1978, p. 189.
Rutten bleef nog geruime tijd na Waterwingebied Leeuwarden volhouden dat de leer van de adequate veroorzaking de heersende leer was. Nog in 1975 schreef hij dat de Hoge Raad sinds 1927 ‘onafgebroken’ de leer van de adequate veroorzaking heeft toegepast en ook de jongste arresten zich als toepassing van die leer dienen te worden gezien (Asser/Rutten 4-III 1975, p. 95 e.v.; vgl. Asser/Rutten 4-I 1973, p. 204 e.v.). Eerst in 1978 ging ook Rutten om en erkende hij dat de leer van de adequate veroorzaking “van zijn dominerende plaats is verdrongen” (Asser/Rutten 4-I 1978, p. 198 e.v.). Van Schellen 1979, p. 333 e.v. heeft hier terecht op gewezen. Overigens noemde ook Schut in 1975 het “voorbarig” de conclusie te trekken dat de Hoge Raad Kösters leer was gaan toepassen (Schut 1975, p. 817).
Krans 1999, p. 133 meent dat hieruit het omgaan van de Hoge Raad ook bij wanprestatie blijkt.
99. Kennelijk heeft de kritiek op de leer van de adequate veroorzaking de Hoge Raad weten te overtuigen. In 1970 aanvaardde de Hoge Raad in Waterwingebied Leeuwarden1 de leer van de redelijke toerekening, zo wordt nu algemeen geleerd.2 De Hoge Raad oordeelde in deze zaak dat de door de onrechtmatige daad veroorzaakte schade
“(…) niet een zo uitzonderlijke vorm van schade t.g.v. een dergelijk ongeluk is, noch in een zo verwijderd verband daarmee staat, dat die schade naar redelijkheid niet – als veroorzaakt door dat ongeluk – ten laste zou mogen worden gebracht van degeen, die krachtens de wet aanspr. voor de gevolgen van het ongeluk draagt”.
Ook op dit omgaan van de Hoge Raad was aanzienlijke kritiek. Van Eikema Hommes noemde redelijke toerekening een “nietszeggende term” en sprak van een “asylum ignorantiae”.3 Slagter schreef: “[d]e formulering is een bedekkende therapie, geen heldere diagnose”.4 Stein relativeerde deze kritiek enigszins door erop te wijzen dat de problematiek noch in Nederland noch in het buitenland voldoende is opgelost en dat ook de critici niet in staat zijn om criteria te geven die meer zekerheid bieden dan uit het voorstel van Köster voortkomt.5 Of de Hoge Raad in Waterwingebied Leeuwarden daadwerkelijk was omgegaan bleef overigens nog bijna een decennium omstreden, vooral doordat Rutten dit in zijn bewerkingen van de delen over het verbintenissenrecht in de gezaghebbende Asser-serie lange tijd bleef ontkennen.6
100. De koers van de Hoge Raad in het geval van aansprakelijkheid vanwege wanprestatie is minder helder. In 1985 lijkt hij in Joe/Chicago Bridge,7 waarin het gaat om aansprakelijkheid van een werkgever wegens het nemen van onvoldoende veiligheidsmaatregelen (art. 1614x (oud) BW Nederlandse Antillen), de leer van de adequate veroorzaking en het stelsel van art. 1283 en 1284 (oud) BW te hebben verlaten door het aannemen van zeer ruime mogelijkheden om de veroorzaakte schade toe te rekenen. Overigens gaat het in deze zaak om een soort wanprestatie dat een grote mate van gelijkenis met een onrechtmatige daad vertoont. In 1987 laat hij in AGO/NCB8 in het midden of sprake is van een onrechtmatige daad of wanprestatie en oordeelt hij “dat het hof terecht betekenis heeft toegekend aan de aard van de schade en van de aansprakelijkheid”. Aldus lijkt de Hoge Raad ook voor aansprakelijkheid vanwege wanprestatie afgestapt te zijn van de leer van de adequate veroorzaking.9 In 1992 oordeelde de Hoge Raad in Haxe/Schrör,10 nog naar oud recht, echter dat geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting gaf ‘s hofs oordeel dat “niet is voldaan aan de in art. 1283 BW (oud) met betrekking tot de schadeomvang neergelegde eis dat in geval van een niet arglistige wanprestatie, zoals zich hier voordoet, slechts de schade behoeft te worden vergoed die men ten tijde van het aangaan van de overeenkomst heeft of heeft kunnen voorzien”. Voor zover ook in het geval van aansprakelijkheid vanwege wanprestatie de leer van de adequate veroorzaking verlaten was, werd volgens dit arrest de schadetoerekening onder oud recht nog beheerst door de voorzienbaarheidsregel van art. 1283 (oud) BW.