Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.7.2
2.7.2 Kösters inaugurele rede
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583937:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Er bestaat overigens enige controverse over de vraag of Kösters leer slechts zou gelden voor de omvangsfase of ook de vestigingsfase van de aansprakelijkheid (zie bijvoorbeeld Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 58). Köster maakt op p. 6 inderdaad het onderscheid tussen de omvang van de schadevergoedingsverplichting en de “voor-vraag” of op de aangesproken partijen “in beginsel een aansprakelijkheid rust”. Onduidelijk is of Köster onder deze voor-vraag ook de vaststelling van de ‘primaire causaliteit’ (zie daarover nr. 28) begrijpt. Van Eikema Hommes 1975, p. 93 schrijft mijns inziens terecht dat het gelet op de kritiek die Köster op de adequatieleer levert, niet goed begrijpelijk zou zijn dat Köster die leer wel voor de vaststelling van primaire causaliteit zou willen behouden. Ik begrijp Köster zo dat hij met deze voorvraag bedoelt of sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad of van een toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid.
Opvallend is dat enkele jaren hiervoor Lange in een kritische publicatie (Lange 1957, p. 114 e.v.) de adequatieleer als “Zauberformel” betitelde en erop wees dat achter haar toepassing rechtspolitieke keuzen schuilgaan. Lange schreef dat de adequatieleer geen causaliteitsleer is en bepleitte om de omvang van aansprakelijkheid “auf ein billiges Maß” te beperken. Als gezegd, zie § 2.3.3, lag het probleem in Duitsland in zekere zin tegengesteld aan het probleem in Nederland nu aan het Duitse adequatiecriterium in vrijwel alle gevallen werd voldaan.
Köster 1963, p. 15, voetnoot 35.
Köster 1963, p. 15, voetnoot 35.
Köster 1963, p. 12.
Köster 1963, p. 14.
Köster 1963, p. 14.
Köster 1963, p. 15.
Köster 1963, p. 15.
Köster 1963, p. 15.
Köster 1963, p. 22, 23.
93. In 1962, kort na de publicatie van het driemanschapsontwerp in 1961, keerde Köster zich in zijn inaugurele rede tegen de leer van de adequate veroorzaking en tegen de scheiding die in het driemanschapsontwerp werd aangebracht tussen relativiteit en de adequate veroorzaking. Köster deed daarbij een voorstel om de ontwerpbepalingen voor art. 6:163 en 6:98 BW te vervangen door één toerekeningsbepaling.1
94. Köster stelde voorop dat het recht onderscheid diende te maken tussen de feitelijke gevolgen van een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis waarvoor de dader wel en waarvoor de dader niet aansprakelijk is. Het hiervoor gehanteerde criterium van de leer van de adequate veroorzaking achtte Köster een “toverformule”.2 Köster wees erop dat geen sprake was van één criterium maar van een reeks vergelijkbare criteria (het redelijkerwijs te verwachten gevolg, het als niet onwaarschijnlijk te verwachten gevolg, de mogelijkheid van het intreden van het gevolg is objectief vergroot). Ook wees Köster erop dat het een groot verschil maakt naar welk moment men beoordeelt of de schade het redelijkerwijs te verwachten gevolg van de onrechtmatige daad is: aan de hand van alleen vooraf bekende gegevens, of ook op grond van feiten die achteraf bekend zijn geworden. Volgens Köster kiezen rechters die variant van het criterium waarmee de gewenste uitkomst bereikt kan worden, zonder te motiveren waarom juist die variant toegepast dient te worden. Aan de hand van een vijftal uitspraken onderbouwde hij deze analyse.
95. Ook over de relativiteitsleer en de wijze waarop deze in het ontwerp was neergelegd, was Köster kritisch. Over de vele voorbeelden in de driemanschapstoelichting over de toepassing van de relativiteitsleer schreef hij:
“Gaat men de voorbeelden na (…) dan blijkt telkens dat de rechter, via het etiket van de Schutznorm, in wezen een beslissing heeft gegeven over ‘redelijke toerekening’ en tevens dat het onderzoek naar het door de norm beschermde belang geen duidelijk richtsnoer geeft.”3
De begrenzing van aansprakelijkheid aan de hand van de strekking van de geschonden norm was volgens Köster in haar “uitwerking en toepassing [een] volkomen onvaste toverformule”.4
96. Het ontwerp van het driemanschap had Köster “teleurgesteld”5 zowel vanwege de flexibele waarschijnlijkheids/voorzienbaarheidstoets als vanwege het uit elkaar trekken van de strekking van de norm en het vereiste van waarschijnlijkheid/voorzienbaarheid van de schade. Köster meende dat een oplossing slechts kon worden bereikt door niet langer “vast te klampen” aan toverformules en toe te geven dat zodra aansprakelijkheid vaststaat, de omvang van de schadevergoedingsplicht dient af te hangen van de vraag of de verschillende schadefactoren naar redelijkheid aan de aangesproken partij kunnen worden toegerekend.6 Köster stelde hierom voor om in het driemanschapsontwerp de strekkingsbepaling en de bepaling waarin het vereiste van waarschijnlijkheid/voorzienbaarheid is gesteld, tezamen te vervangen door de volgende bepaling:
“De verplichting tot schadevergoeding strekt zich uit tot de schade, of het gedeelte van de schade, dat gelet op alle omstandigheden, naar redelijkheid kan worden toegerekend aan de aangesproken partij. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoren met name:
de aard van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust;
de aard van de schade;
de graad van waarschijnlijkheid waarmede het ontstaan van de schade viel te verwachten;
de onevenredig zware last, welke voor de aangesproken partij, mede gelet op de financiële positie van de benadeelde, uit de schadevergoedingsverplichting kan voortvloeien.”7
De in deze bepaling gehanteerde terminologie van het naar redelijkheid toerekenen doet volgens Köster
“(…) uitkomen dat het niet gaat om een vraag van causaliteit, maar om een vraag naar aansprakelijkheidsverband”.8
Wat Köster inhoudelijk voor ogen stond, komt mijns inziens goed tot uitdrukking in de volgende passage:
“Partijen zullen de kern van het geschil dienen te behandelen, t. w. de vraag of het redelijk is dat het gevorderde schadebedrag door de benadeelde wordt afgewenteld op de partij, die voor de schadegebeurtenis aansprakelijk is. Daarbij komen aan de orde ‘de aard’ van de schade en ‘de aard’ van de gebeurtenis. Het zal daarom telkens gaan om een beslissing die van belang zal zijn voor aIle gevallen die van ‘dezelfde aard’, dus in wezen hetzelfde, zijn. Hierdoor zal de rechter zich bij zijn beslissingen rekenschap moeten geven dat hij, voor de beslissing van het concrete geval, dient uit te gaan van een algemene redelijkheidsregel, die gelding moet hebben voor aIle gevallen van dezelfde geaardheid. Dit aIles komt hierop neer dat de beslissing van ieder concreet geval geenszins zal afhangen van wat men aanduidt als een ‘particulier-autonoom billijkheidsoordeel’ van de rechter. Neen, de uitspraak zal moeten berusten op algemene redelijkheidsbeginselen, dus op een ‘generaal-heteronoom billijkheidsoordeel’, dat ter toetsing kan komen in cassatie-procedures.”9
Köster meende blijkens deze passage dat toerekening naar redelijkheid niet inhield dat de rechter voor elk concreet geval een billijkheidsoordeel zou geven dat volkomen bepaald zou zijn door de bijzonderheden van dat geval. In plaats daarvan diende de rechter steeds uit te gaan van “een algemene redelijkheidsregel” die zou gelden voor alle gevallen van dezelfde aard, dus van gevallen met dezelfde aard van de gebeurtenis waarop aansprakelijkheid berust en van de schade. Köster meende dat bij het volgen van zijn benadering het volgende zou gebeuren:
“Langs deze weg kunnen uit de telkens weer nieuwe schadegevallen en categorieën van schadegevallen andere generale regels worden opgebouwd, en de rechter zal niet – zoals thans – worden belemmerd ‘om openlijk uit te komen voor wat hij eigenlijk doet’.”10
97. Welke gevallen van dezelfde geaardheid onderscheiden zouden moeten worden en welke algemene redelijkheidsregels zouden moeten gelden, maakte Köster niet duidelijk. Köster beoogde klaarblijkelijk vooral een raamwerk te geven waarin de rechter vrij zou zijn om zijn toerekeningsoordeel te motiveren aan de hand van de werkelijke redenen die dat oordeel hadden ingegeven. Op die manier zou het recht zich ook kunnen ontwikkelen. In lijn hiermee besloot Köster zijn pleidooi ermee dat het aan de rechtswetenschap is om door bestudering van Nederlandse en buitenlandse rechtspraak en literatuur schadesituaties te rubriceren en de daarbij behorende algemene regels te vinden.11