Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.7.1:2.7.1 Inleiding
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.7.1
2.7.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588624:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
89. Al kort nadat de Hoge Raad de leer van de adequate veroorzaking was gaan hanteren, hadden verschillende auteurs betoogd dat in dit begrenzingsvraagstuk de billijkheid of de redelijkheid beslissend was.
90. Van Brakel had in 1934 betoogd dat de adequatietoets niets met causaliteit te maken had,1 maar zijn analyse ging verder. Volgens Van Brakel werd de noodzakelijke beperking van aansprakelijkheid voor feitelijk door een onrechtmatige daad veroorzaakte gevolgen “gecamoufleerd” in causale termen
“(…) zoodat men den schijn kan aannemen de gezochte begrenzing van de aansprakelijkheid te bereiken binnen het terrein van de causaliteitsleer. Maar ondanks deze vermomming blijkt den nauwkeurigen toeschouwer spoedig genoeg waarom het eigenlijk gaat. Want als men dan eens vraagt, waarom nu eigenlijk alleen het naastbijliggende causale moment als oorzaak mag worden aangeduid, dan luidt het antwoord strijk en zet: omdat men anders tot onaannemelijke, d.i. onbillijke of ondoelmatige resultaten zou komen. (…) Zoo blijkt ook de keus tusschen wat voorzienbaar of niet voorzienbaar is inderdaad mede beheerscht te worden door de vraag of de billijkheid vordert, dan wel belet, dat de dader aansprakelijk wordt gesteld voor een gevolg.”2
Van Brakel betoogde aldus dat bij de begrenzing van aansprakelijkheid voor veroorzaakte gevolgen uiteindelijk de billijkheid of doelmatigheid beslissend is en daar de vereiste mate van voorzienbaarheid op werd afgestemd. Naar het oordeel van Van Brakel was nader onderzoek nodig naar de werkelijke gronden die beslissend zijn voor de door rechters op dit stuk gegeven oordelen:
“[H]et eerste werk, dat hier te doen valt, moet m.i. bestaan niet in het opzetten van de een of andere causaliteitstheorie, doch in het ontleden van de bewuste en of onbewuste denkprocessen” die maken dat rechters al dan niet besluiten om aansprakelijkheid voor door een onrechtmatige daad veroorzaakte gevolgen aan te nemen.3
91. Losecaat Vermeer schreef in 1939 in een van de door hem bewerkte Asser-delen over het verbintenissenrecht dat causaliteit en andere voorwaarden voor aansprakelijkheid gescheiden dienen te worden. In het geval van niet-nakoming van een verbintenis werden volgens hem door art. 1283 en 1284 (oud) BW enkele van die andere voorwaarden gesteld. Losecaat Vermeer betoogde dat indien de wet over die andere voorwaarden zwijgt
“(…) men voor de vraag [komt] te staan, of een beperking der aansprakelijkheid redelijk is en, zo ja, welke. Aldus beschouwe men elk geval op zich zelf. Het komt mij minder wenselijk voor hier één regel voor alle gevallen te stellen, hetgeen men doet, indien men het waarschijnlijkheidselement tot een bestanddeel van het oorzakelijk verband maakt.”4
Ook volgens Losecaat Vermeer kwam het bij de beperking van aansprakelijkheid voor door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis veroorzaakte gevolgen uiteindelijk dus aan op de redelijkheid.
92. Andere schrijvers gingen niet zo ver als Van Brakel en Losecaat Vermeer, maar zagen wel in dat het bij toepassing van de leer van de adequate veroorzaking van de omstandigheden van het geval afhing welke mate van waarschijnlijkheid vereist was. In 1935 verdedigden Meijers en Vigelius dit standpunt en betoogden dat het om die reden beter was om deze leer in het kader van het vereiste van schuld aan de schade toe te passen.5 In 1959 betoogde ook Van Opstall in zijn bewerking van het eerste gedeelte van Hofmanns Het Nederlandse Verbintenissenrecht dat de vereiste mate van waarschijnlijkheid afhangt van de omstandigheden van het geval.6