Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.10.4.1
8.10.4.1 Van Gils
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180293:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2004, r.o. 8.10.1, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR5637,JOR 2004/292 (Van Gils) en Rechtbank Breda 10 juni 1997, r.o. 3.17, ECLI:NL:RBBRE:1997:AG3105, JOR 1997/95, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Van Gils).
Artikel 2:403 BW.
Artikel 2:406 BW en Rechtbank Breda 10 juni 1997, r.o. 3.15.1, ECLI:NL:RBBRE:1997:AG3105, JOR 1997/95, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Van Gils).
Rechtbank Breda 10 juni 1997, r.o. 3.19, ECLI:NL:RBBRE:1997:AG3105, JOR 1997/ 95, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Van Gils).
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2004, r.o. 8.11, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR5637, JOR 2004/292 (Van Gils).
Het is bij het beoordelen van de betekenis van de uitspraken inzake Van Gils goed om voor ogen te houden dat de Rechtbank Breda en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de omvang van de administratieplicht van artikel 2:14 (oud) BW beoordelen aan de hand van de maatstaf die is ontleend aan het arrest Brens q.q./Sarper (Hoge Raad 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993, 713, m.nt. J.M.M. Maeijer), namelijk dat de administratie zodanig moet zijn dat snel inzicht kan worden verkregen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en dat deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.
In twee instanties is geprocedeerd tussen de curator van Van Gils Holding Roosendaal B.V. (VGHR) en haar bestuurders.1 De curator stelde de bestuurders onder meer aansprakelijk op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur voorafgaand aan het faillissement. De curator betoogde met een beroep op concernleidingsplicht uit het Ogem-arrest dat de administratie van VGHR snel inzicht diende te geven in het vermogen en de resultaten van VGHR en haar deelnemingen.
Uit het vonnis van de Rechtbank Breda volgt dat VGHR meerdere binnenlandse en buitenlandse dochtermaatschappijen had. Enkele in het licht van het Ogem-arrest relevante feiten zijn dat sprake was van een personele unie tussen de besturen van VGHR en haar belangrijke dochtervennootschap Van Gils Intercontinental N.V. (VGI). Ook had VGRH een zogenoemde 403-verklaring2 afgegeven voor een andere groepsvennootschap, Herburry B.V. VGHR had zich borg gesteld voor aanzienlijke kredieten van deelnemingen en met een aantal Nederlandse deelnemingen vormde VGHR een fiscale eenheid op grond waarvan hoofdelijke aansprakelijkheid bestond voor de fiscale schulden. VGHR stelde een geconsolideerde jaarrekening op en kwalificeerde zichzelf daarmee als groepshoofd van de in de consolidatie betrokken groepsmaatschappijen.3
Op grond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Rechtbank Breda met betrekking tot de reikwijdte van de administratieplicht dat vooropgesteld moet worden dat artikel 2:14 (oud) BW niet regelt op welke wijze de administratie moet worden gevoerd en dat de daaraan te stellen eisen afhangen van de aard, de omvang en de complexiteit van de onderneming.4 De rechtbank vervolgt dat, gelet op de bestuurstaak van de moedermaatschappij, de administratie ook snel een voldoende betrouwbaar inzicht moet geven in het vermogen, de liquiditeitspositie en het resultaat van haar deelnemingen. Als reden wordt hiervoor gegeven dat het resultaat en vermogen van de moeder de resultante is van het resultaat en het vermogen van haar deelnemingen. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank overigens niet dat de moedermaatschappij van al haar dochtervennootschappen een schaduwadministratie moet bijhouden.
De Rechtbank Breda oordeelt dat de administratieplicht is geschonden. Annotator Kortmann onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Hij merkt op dat de omvang van de administratieplicht direct verband houdt met de inhoud en de taak van het bestuur van de moedervennootschap. Om aan de concernleidingsplicht te kunnen voldoen, moet de moedervennootschap snel een voldoende betrouwbaar inzicht kunnen verkrijgen in de vermogenspositie, de liquiditeitspositie en het resultaat van de dochters. Hij concludeert dat het tot de taak van de moedervennootschap behoort ervoor te waken dat de administratie van de dochters deze essentiële management-informatie aan de moedervennootschap biedt.
Zowel uit de uitspraak van de Rechtbank Breda als uit de annotatie van Kortmann valt af te leiden dat de moedervennootschap niet de administratieplicht van de dochtervennootschappen zelf hoeft na te leven, maar dat de moedervennootschap ervoor moet zorgdragen dat haar eigen administratie voldoende inzicht geeft in de vermogenspositie, de liquiditeitspositie en het resultaat van de groepsmaatschappijen. Alleen met dat inzicht kan de moedervennootschap haar bestuurstaak als groepshoofd adequaat uitoefenen. Haar eigen administratie moet een afdoende hulpmiddel zijn voor het uitvoeren van die taak als groepshoofd en het afleggen van verantwoording daarover.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch komt tot een zelfde oordeel als de Rechtbank Breda.5 Het gerechtshof wijst erop dat het voor VGHR – om in de positie van topholding centrale leiding te kunnen uitoefenen – noodzakelijk is dat VGHR uit haar administratie snel een voldoende betrouwbaar inzicht kan verkrijgen in de vermogenspositie van VGI.6