Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.4.2.1
2.4.4.2.1 ABC-rapport
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499122:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Werkgroep A was belast met onderzoek op het gebied van fysieke controles aan de grenzen.
Als bezwaren werden genoemd (IBFD-bundel 1963, p. 13): (i) de moeilijkheden bij toepassing van de gemiddelde percentages voor in- en uitvoer (ter voorkoming van omzetbelastingdruk in internationale verhoudingen), (ii) de bevordering van de verticale concentraties (integratie) van bedrijven, (iii) de belemmering voor het vrije goederenverkeer als gevolg van belastinggrenzen en (iv) de complicaties voor de internationale handel die voortvloeien uit de veelheid van systemen. Deze door de werkgroepen opgesomde bezwaren kwamen dus grotendeels overeen met de bezwaren die door de Nederlandse wetgever werden onderkend (zie hiervoor).
IBFD-bundel 1963, p. 23 e.v. De werkgrepen merken hierbij op dat in de praktijk niet aan al deze voorwaarden kan worden voldaan. Sterker: door te voldoen aan één van de voorwaarden kan ingeboet worden op een andere voorwaarde. Gezocht moet worden naar een omzetbelastingsysteem dat in de breedte aan de meeste van deze voorwaarden voldoet.
Wat betreft de internationale concurrentieverhoudingen werd door de werkgroepen benadrukt dat de omzetbelasting geen invloed mag hebben op de prijsstructuur van goederen die worden uitgevoerd en dat ingevoerde hetzelfde moeten worden belast als binnenlandse goederen. Dit kon volgens de werkgroepen alleen worden bereikt als geen belastingdruk bestaat op uitgevoerde goederen en ten aanzien van ingevoerde goederen de verschuldigde belasting precies kan worden bepaald.
Dit zit besloten in het eerste aandachtspunt, ten aanzien waarvan wordt opgemerkt dat een steeds lager tarief kan worden aanvaard naarmate de heffingsgrondslag wordt verbreed.
IBFD-bundel 1963, p. 23 e.v.
IBFD-bundel 1963, p. 30.
IBFD-bundel 1963, p. 31 en IBFD-bundel 1963, p. 42: ‘(…) this means therefore that the system must provide that deliveries of investment goods, similar goods and services to taxpayers could be made without collection of tax.’
IBFD-bundel 1963, p. 47-48.
IBFD-bundel 1963, p. 54.
Het betreft hier de zogenoemde ‘physical deductions’. ‘Physical deductions’ worden door de werkgroep onderscheiden van ‘financial deductions’. Bij ‘financial deductions’ gaat het om aftrek van (btw op) investeringskosten, algemene kosten en kosten in verband met ingekochte diensten. Als naast ‘physical deductions’ ook ‘financial deductions’ zouden zijn toegestaan, dan komt een fabrikantenbelasting, waarbij de belasting wordt geheven op grond van gefragmenteerde betalingen, in de buurt van een btw, welke omzetbelasting door werkgroep C separaat werd onderzocht. Juist vanwege een gebrek aan ‘financial deductions’ kan een fabrikantenbelasting niet als ‘belastingneutraal’ doorgaan.
Zie ook voorgaande paragraaf (2.4.4.1).
Dit brengt volgens de werkgroep nadelen mee bij internationale transacties, met name bij de ontlasting van btw bij uitvoer van goederen en het vaststellen van de belastingdruk ten aanzien van ingevoerde goederen.
IBFD-bundel 1963, p. 55-56.
Grondstoffen maken immers fysiek deel uit van het eindproduct.
IBFD-bundel 1963, p. 60. De aftrekmethodiek wordt uitgebreid behandeld op p. 62-64.
IBFD-bundel 1963, p. 62.
IBFD-bundel 1963, p. 73-74.
Werkgroep B heeft het namelijk over het ‘neutraliteitsbeginsel’. Zie IBFD-bundel 1963, p. 40.
Het ABC-rapport bevat de bevindingen van een drietal werkgroepen (A, B en C), onder meer bestaande uit afgevaardigden van de belastingadministraties van de toenmalige lidstaten van de EU, die gezamenlijk belast waren met onderzoek naar omzetbelastingharmonisatie binnen Europa. Werkgroepen B en C hadden de opdracht diverse omzetbelastingsystemen in kaart te brengen.1 Voordat deze omzetbelastingsystemen door de werkgroepen nader werden uitgewerkt, werden eerst de bezwaren in herinnering gebracht die kleefden aan de toen binnen de EU geldende omzetbelastingsystemen.2 Vervolgens werd een aantal randvoorwaarden uiteengezet, waaraan een (nieuwe) omzetbelasting moest voldoen. Bij de introductie van een (nieuwe) omzetbelasting zou in het bijzonder aandacht moeten worden besteed aan de volgende punten:3
De belasting moet zorgen voor stabiele belastinginkomsten tegen zo laag mogelijke invorderingskosten (financiële rationaliteit).
De belasting moet neutraal zijn wat betreft (inter)nationale concurrentieverhoudingen.
De belasting moet een zo min mogelijk effect hebben op de prijs van de producten.
De belasting moet een zo min mogelijke invloed hebben op de productiviteit van bedrijven.
Het eerste aandachtspunt spreekt voor zich. Met betrekking tot het tweede aandachtspunt merkten de werkgroepen op dat dit betekent dat een omzetbelasting ervoor moet zorgen dat (i) verticale concentraties van bedrijven (integratie) worden tegengegaan, in die zin dat de belastingdruk op een product niet mag afhangen van het aantal schakels in de productie- en distributieketen, (ii) vergelijkbare goederen eenzelfde belastingdruk kennen, dat wil zeggen: geen sprake is van discriminaliteit op wat voor gronden ook, (iii) de belasting eenvoudig moet kunnen worden afgewenteld op de consument en (iv) de heffing geen obstakel vormt voor het bedrijfsleven.4 Het derde aandachtspunt heeft betrekking op de effecten van een (nieuwe) omzetbelasting op de prijs van de producten in het gehele productie- en distributieproces. De effecten op de prijs hielden volgens de werkgroepen weer nauw verband met de mate waarin een omzetbelasting kan worden afgewenteld op een volgende schakel. Er wordt niet gedoeld op de hoogte van het belastingtarief.5 Ten aanzien van het laatste aandachtspunt wordt opgemerkt dat de neutraliteit van een belasting (ook) effect heeft op de productiviteit van bedrijven. Hoe neutraler een belasting, hoe minder de productiviteit van bedrijven wordt gehinderd.6
Verschillende omzetbelastingsystemen werden vervolgens door de werkgroepen onder de loep genomen. Werkgroep B richtte zich op een eenmalige omzetbelasting in de aan de kleinhandel voorafgaande fase (groothandelsfase) en werkgroep C focuste zich op een eenmalige omzetbelastingheffing in de laatste schakel van de productiefase (eenmalige fabrikantenbelasting), een fabrikantenbelasting, geheven door een stelsel van gefragmenteerde betalingen, en een btw. Werkgroep B kwam tot de conclusie dat een groothandelsbelasting in principe weliswaar neutraal uitpakt voor zover het (inter)nationale concurrentieverhoudingen betreft en verticale bedrijfsconcentraties tegengaat,7 maar dat de gewenste neutraliteit niet geheel kan worden gewaarborgd als investeringsgoederen, algemene kosten en diensten in de belastingheffing worden betrokken, daar waar – naar ik begrijp – het transacties tussen belastingplichtigen betreft.8 Daarnaast zou de introductie van een dergelijke omzetbelasting serieuze gevolgen hebben voor de prijs van de producten (omdat bestaande omzetbelastingen veelal gefragmenteerd over meerdere schakels van het productie- en distributieproces werden geheven).
Volgens werkgroep C gold hetzelfde voor een eenmalige fabrikantenbelasting. Deze zou alleen volledig neutraal kunnen uitpakken als investeringsgoederen, algemene kosten en diensten zouden worden ontzien van belasting.9 Ook een fabrikantenbelasting, waarbij de belasting wordt geheven op grond van gefragmenteerde betalingen, heeft te kampen met deze bezwaren. Het enige verschil is dat de belastingheffing dan wordt verdeeld over meerdere schakels, waardoor de belastingdruk wordt verdeeld. Omzetbelastingheffing over meerdere schakels betekende volgens de werkgroep echter wel dat het systeem moet voorzien in een aftrekmechanisme waarbij ondernemers worden ontlast van belastingdruk die is ontstaan in een eerdere schakel.10 Ten aanzien van het te hanteren aftrekmechanisme spreekt werkgroep C zijn voorkeur uit voor het ‘tax on tax’-systeem. Dit is het systeem waarbij belastingplichtigen de aan hen in rekening gebrachte omzetbelasting (op grondstoffen)11 in aftrek mogen brengen van de door hen over de omzet verschuldigde belasting. Het alternatief, het zogeheten ‘base on base’-systeem,12 waarbij de door de belastingplichtige gemaakte kosten van de door hem gerealiseerde omzet worden afgetrokken, waarna over het saldo belasting wordt geheven, had niet de voorkeur van de werkgroep, omdat bij een omzetbelastingsysteem met verschillende tarieven en/of vrijstellingen de uiteindelijke belastingdruk op een product een mix is van verschillende tarieven en min of meer wordt bepaald door de belangrijkste componenten van een product.13 Een ander nadeel van het ‘base on base’-systeem is dat een ondernemer die producten verkoopt, die belast zijn tegen verschillende tarieven, moeite zal hebben om zijn aftrekbare inkopen over de verkopen te verdelen. Het ‘tax on tax’-systeem kent deze nadelen niet. Dit komt door de aanwezigheid van het zogenoemde ‘inhaaleffect’. Dit houdt in dat wanneer het tarief in een latere schakel hoger is dan in een eerdere schakel in de productie- en distributieketen, de uiteindelijke belastingdruk op een product gelijk is aan het tarief in de latere schakel. De uiteindelijke belastingdruk is dan geen mix van verschillende tarieven. Dit betekent dat op ieder moment de belastingdruk op een bepaald product kan worden bepaald, waardoor de neutraliteit bij de uit- en invoer kan worden gewaarborgd en geen moeilijkheden ontstaan bij internationale handel.14
Tot slot deed Werkgroep C verslag van het onderzoek naar een btw. Werkgroep C kwam al gauw tot de conclusie dat een btw in vergelijking tot de andere onderzochte omzetbelastingsystemen de hoogste mogelijke mate van economische neutraliteit bewerkstelligt. Dit komt omdat een btw niet alleen aftrek toestaat van btw op grondstoffen (zogenoemde ‘physical deductions’15), maar ook de mogelijkheid schept btw-aftrek toe te staan ter zake van investeringsgoederen, algemene kosten en diensten (zogenoemde ‘financial deductions’).16 Net als bij een gefragmenteerde fabrikantenbelasting, heeft een ‘tax on tax’-benadering hierbij de voorkeur.17 Omdat daarmee alle cumulatieve effecten ten aanzien van grondstoffen, investeringsgoederen, algemene kosten en diensten worden weggenomen, kent een btw geen prikkel voor verticale concentraties van bedrijven en drukt op ieder goed eenzelfde belastingdruk, ongeacht het aantal gepasseerde schakels in de productie- en distributieketen. Daarnaast heeft een btw het voordeel dat het relatief eenvoudig is om af te wentelen. Dit omdat de heffing op een gefragmenteerde wijze plaatsvindt. Ook vanuit een internationaal perspectief wordt met grote precisie bewerkstelligd dat van het buitenland afkomstige goederen hetzelfde worden behandeld als goederen van binnenlandse komaf en zorgt een btw ervoor dat goederen die worden uitgevoerd, worden ontzien van belastingheffing, zonder dat daarvoor ingewikkelde methodes nodig zijn. Daarnaast heeft een btw het voordeel geen invloed te hebben op de productiviteit van bedrijven. Van de onderzochte btw-systemen (tot en met de laatste schakel in de productiefase, tot en met de groothandelsfase en tot en met de kleinhandelsfase) heeft een btw tot en met de kleinhandelsfase het voordeel dat afbakeningskwesties worden voorkomen, er een lager belastingtarief kan worden gehanteerd en de belastingdruk voor consumenten kenbaarder is. Als nadeel van een btw tot en met de laatste schakel van de productie- en distributieketen wordt genoemd een uitbreiding van het aantal belastingplichtigen en de druk op de administraties van bedrijven in de kleinhandelsfase. Volgens werkgroep C doet dit echter niet af aan de conclusie dat een btw de meeste tot dan toe binnen de EU geldende bezwaren wegneemt: zij komt het meest tegemoet aan de opgesomde criteria waaraan een effectief omzetbelastingstelsel moet voldoen (zie hiervoor).18 In dat licht lijken de werkgroepen overigens het meeste waarde te hechten aan het vereiste van neutraliteit op het gebied van (inter)nationale concurrentieverhoudingen. Neutraliteit lijkt dus een kerneigenschap te moeten zijn van een omzetbelasting. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Werkgroep B de (vereiste) neutraliteit als een ‘beginsel’ beschouwt waaraan een omzetbelasting moet voldoen.19