Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/7.4.2
7.4.2 Het vak recht: positie en curricula bij V.O.S.-commissie recht 1969
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977279:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
VOS-M 1969, 95, p. 16; H. Esmeijer, ´Wie is er bang voor staatsinrichting en recht?’, P & SV 14, 4, p. 4-7, Th. Dijkman, ´Democraat zijn wordt dicht bij huis geleerd´, Namens 1988, 3, p. 23-29 en H. van Dijk, ´Wat komt er terecht van het recht?´, TEO 1991, p. 193-196.
VOS-M 1969, 95, p. 2-9.
E.J.H. van der Vennen publiceert - als verklaard voorstander van onderwijs in staatsinrichting en recht - en is verontrust VOS-lid die de fusie van de VOS en Voha in 1970 afkeurt.
´Welke bijdrage kan Uw discipline leveren aan maatschappijleer?´, VOS-M 1969, 95, p. 21-24
Ibid., p. 22.
Curs.W; Ibid., p. 24.
De beginjaren van de Wvo staan in het teken van het invoeren van de brugklas en de vakken maatschappijleer, recht en geschiedenis en staatsinrichting.1 Vanaf 1968 is handelswetenschappen op vwo economische wetenschappen (vanaf 1970 economische wetenschappen I en II ‘en recht’) en op havo handelswetenschappen (vanaf 1970 ‘en recht’). De V.O.S. stelde in 1969 een commissie in ter advisering over de positie van het vak recht met de nota-Kalb/Voskuil als vertrekpunt.2 Het onderwijs in recht omvat het burgerlijk recht in het vijfde leerjaar vwo en het handelsrecht in het zesde leerjaar vwo. De positie van recht is uitvoerig besproken op de V.O.S.-jaarvergadering in 1969, ondanks de klemmende oproep van de voorzitter zulks niet te doen.3 Het voorstel om recht niet te examineren op het vwo en het niet ondersteunen van een keuzevak recht door de wetgever vormen daartoe de directe aanleiding. De voorzitter is gekant tegen een samenvoeging van staatsinrichting en recht, omdat hiermee de pogingen om beide vakken een curriculumpositie te geven worden ontkracht. Na enige deliberatie is op voorstel van Van der Vennen4 unaniem gestemd voor de invoering van recht als keuzevak. Een door de voorzitter ontraden motie over het instellen van een commissie Leerprogramma recht als keuzevak haalt het niet.
Hiermee in samenhang ziet Huizer de vakinbreng van docenten staatsinrichting voor de ontwikkeling van het vak maatschappijleer als een harde noodzaak. Tegelijk waardeert hij het onderwijs in staatsinrichting als het leren van ‘niet-functionele of niet tot functioneren gebrachte kennis’, waardoor de wetgever zijn conclusie trekt en het bij ‘een wezenlijke discipline’ onderbrengt. Huizer ziet in recht zo’n discipline, immers ‘kennis van staatsinrichting is functioneel, zoals de onrechtmatige overheidsdaad of de administratieve rechtspraak; onderwerpen die voor de democratie nuttiger zijn dan incompatibiliteiten (onverenigbaarheden) of séparation des pouvoirs. De nadelen overwegen’.5
Regels over de parlementaire democratie en de staatsorganen kenmerken de leerstof: ‘Het is van belang dat bij maatschappijleer de macro-wereld aan de orde komt, waartoe de politieke participatie behoort, nationaal en mondiaal’. Hij acht het verschil tussen politieke en staatsburgerlijke vorming irrelevant en verklaart dat met: ‘Voorbereiding op participatie in staatsverband is één van de doelen van maatschappijleer en staatsburgerlijke vorming is dat niet’. ‘Staatsinrichting tendeert in die richting’, stelt hij: ‘Het is een te enge doelstelling met weinig ruimte voor kritiek binnen het stelsel van democratie met grondrechten en checks and balances, maar dit presenteert als le meilleur des mondes possibles’.6 Huizer acht het staatsinrichtingonderwijs breder dan het leren van de trias politica, zoals recht breder is dan de wet: ‘De klassieke rechtsstaat verkeert in crisis. Het staatsrecht moet de schijn met de werkelijkheid confronteren, in de ontmythologisering van de staat’.7