Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.9:7.9 Art. 3:296 lid 2 BW – voorwaarde of tijdsbepaling
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.9
7.9 Art. 3:296 lid 2 BW – voorwaarde of tijdsbepaling
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692237:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Valk 2017.
HR 21 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4671, NJ 1984/804, m.nt. F.H.J. Mijnssen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
390. Het tweede lid van art. 3:296 BW maakt het mogelijk iemand onder een voorwaarde of onder een tijdsbepaling tot ‘iets’ te veroordelen. De bepaling biedt een oplossing voor de situatie waarin een schuld nog niet opeisbaar is en brengt tot uitdrukking dat de niet-opeisbaarheid geen reden is om de vordering af te wijzen.1 De vraag in zo’n situatie is wel steeds of bij een dergelijke vordering belang bestaat. Dat is, zoals hierboven beschreven, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een dergelijk belang zal bijvoorbeeld aanwezig kunnen zijn indien op voorhand vaststaat dat een wederpartij niet zal nakomen. Een rechterlijk bevel onder tijdsbepaling kan dan duidelijk maken dat en wanneer die verplichting tot nakoming bestaat. In paragraaf 10.2 zal ik uitwerken dat art. 3:296 lid 1 BW de rechter geen discretionaire bevoegdheid geeft. In lid 2 is nadrukkelijk opgenomen dat de rechter een veroordeling onder een voorwaarde of tijdsbepaling kan uitspreken. De in het tweede lid neergelegde bevoegdheid is daarmee wel een discretionaire. Dat is ook logisch omdat het sterk van de omstandigheden van het geval afhankelijk is of een veroordeling onder voorwaarde of tijdsbepaling nuttig is.
391. Bij een veroordeling onder voorwaarden zal allicht discussie kunnen ontstaan over de vraag of die voorwaarden vervuld zijn. Het is dus zaak de voorwaarden zo nauwkeurig mogelijk te formuleren. In zijn arrest van 21 oktober 1983, dat betrekking had op terugvordering van verleende bijstand, overwoog de Hoge Raad, vermoedelijk laconieker dan bedoeld: ‘Of te zijner tijd deze voorwaarden zullen zijn vervuld, zal zo nodig aan de orde kunnen komen in een executiegeschil.’2 Ik ga hier nader op in bij de behandeling van het te formuleren dictum (paragraaf 10.4).